Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1410

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-04-2016
Datum publicatie
25-04-2016
Zaaknummer
15-4286 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking na opschorting. Er is voldaan aan de voorwaarden. Appellant heeft niet de gevraagde gegevens met betrekking tot zijn Marokkaanse bankrekening binnen de bij het opschortingsbesluit geboden hersteltermijn verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4286 WWB

Datum uitspraak: 19 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 6 mei 2015, 14/1461 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Enschede (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.F. Briedé, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2016. Namens appellant is

mr. Briedé verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Boxem.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving ten tijde hier van belang sinds 1 november 2012 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme tip van 16 augustus 2013 dat appellant goederen verkoopt in Marokko en in de weekends als muzikant wordt ingehuurd, heeft het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte bijstand. In dit kader heeft een medewerker van de afdeling Handhaving van de gemeente Enschede op

25 september 2013 een gesprek met appellant gevoerd. Tijdens dat gesprek heeft appellant onder meer gemeld dat hij een Marokkaanse bankrekening had, die volgens hem geblokkeerd was, en is hem verzocht controleerbare en verifieerbare bewijsstukken met betrekking tot die bankrekening, waaronder bankafschriften, over te leggen. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 19 september 2013.

1.3.

Bij besluit van 21 oktober 2013 heeft het college de bijstand met ingang van 18 oktober 2013 opgeschort. Daarbij is appellant, onder verwijzing naar twee aan hem gerichte brieven van respectievelijk 25 september 2013 en 9 oktober 2013, nogmaals in de gelegenheid gesteld de gevraagde stukken binnen twee weken na datum van die brief alsnog in te leveren. Tevens is appellant erop gewezen dat de uitkering zou moeten worden beëindigd (lees: ingetrokken) indien appellant van die gelegenheid geen gebruik zou maken.

1.4.

Bij besluit van 8 november 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 mei 2014 (bestreden besluit), heeft het college, voor zover hier van belang, met toepassing van

artikel 54, vierde lid, van de WWB de bijstand per 18 oktober 2013 beëindigd (lees: ingetrokken). Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant niet binnen de hem daartoe geboden termijn zijn verzuim heeft hersteld (hersteltermijn) door de gevraagde afschriften van zijn Marokkaanse bankrekening over te leggen.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover het de intrekking per 18 oktober 2013 op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB betreft, ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De opschorting

4.1.

Appellant heeft aangevoerd dat hij geen van de door het college vermelde brieven heeft ontvangen. Hij heeft echter eerst in hoger beroep gesteld dat hij het opschortingsbesluit van 21 oktober 2013 niet heeft ontvangen. Uit de gedingstukken blijkt, anders dan appellant meent, niet dat hij dit in bezwaar naar voren heeft gebracht. Voorts heeft appellant in beroep tegen het bestreden besluit aangevoerd dat hij de brieven van 25 september 2013 en 9 oktober 2013 niet heeft ontvangen en over het opschortingsbesluit niet gerept. Appellant heeft zijn eerst in hoger beroep ingenomen stelling, dat hij ook het opschortingsbesluit niet heeft ontvangen, in dit licht niet nader toegelicht. Gelet voorts op het relaas van het bezorgen van het opschortingsbesluit op het adres van appellant, zoals opgenomen in het rapport van

19 september 2013, moet worden aangenomen dat appellant het opschortingsbesluit heeft ontvangen. Dit besluit is onherroepelijk geworden, zodat de opschorting van het recht op bijstand met ingang van 18 oktober 2013 in rechte vaststaat.

De intrekking

4.2.

Appellant heeft aangevoerd dat het college bij het bestreden besluit ten onrechte heeft volstaan met een beëindiging van de bijstand en aldus heeft nagelaten om in overeenstemming met de tekst van artikel 54, vierde lid, van de WWB, het besluit tot toekenning van bijstand in te trekken. Deze grond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 18 juli 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY5142) kan in een geval als het onderhavige, waarbij artikel 54, vierde lid, van de WWB wordt toegepast, het besluit tot toekenning van bijstand vanaf een datum in het verleden ongedaan wordt gemaakt. Dat is in dit geval gebeurd. Nu het bestreden besluit het recht op bijstand over een periode in het verleden betreft moet worden gesproken van intrekking. Het besluit om de uitkering te beëindigen moet daarom worden gelezen als een besluit het recht op bijstand in te trekken.

4.3.

Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van

artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene heeft verzuimd binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de betrokkene niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.

4.4.

Niet in geschil is dat appellant de gevraagde gegevens met betrekking tot zijn Marokkaanse bankrekening niet binnen de bij het opschortingsbesluit geboden hersteltermijn heeft verstrekt.

4.5.

Wat appellant heeft aangevoerd over de ontvangst van de brieven van 25 september 2013 en 9 oktober 2013 behoeft geen bespreking, nu niet in geschil is dat een medewerker van de afdeling Handhaving appellant op 25 september 2013 mondeling heeft uitgenodigd om controleerbare en verifieerbare bewijsstukken met betrekking tot zijn Marokkaanse bankrekening, waaronder bankafschriften, over te leggen en appellant hiertoe nogmaals bij het opschortingsbesluit van 21 oktober 2013 in de gelegenheid is gesteld. De afschriften van de Marokkaanse bankrekening waren onmiskenbaar van belang voor de beoordeling van het recht op bijstand. Gebleken is voorts dat appellant in staat was om die gegevens te verstrekken, nu hij dit na afloop van de hersteltermijn alsnog heeft gedaan. Indien appellant meer tijd nodig had voor het verkrijgen van de bankafschriften, zoals hij heeft aangevoerd, had het op zijn weg gelegen het college tijdig om uitstel te vragen. Niet is gebleken dat appellant dit heeft gedaan. Hem is dan ook te verwijten dat hij de bankafschriften niet tijdig heeft verstrekt.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat aan de voorwaarden voor toepassing aan artikel 54, vierde lid, van de WWB is voldaan. Het college was dus bevoegd de bijstand van appellant per

18 oktober 2013 in te trekken. Aan deze bevoegdheid doet niet af dat appellant na afloop van de hersteltermijn de gevraagde gegevens alsnog heeft verstrekt en dat daaruit is gebleken dat het saldo op zijn Marokkaanse bankrekening nihil was, zoals hij van meet af aan had meegedeeld. Het is immers de taak van het college om de door een betrokkene gegeven inlichtingen te controleren aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens. Voor zover al geoordeeld zou kunnen worden dat appellant op grond van de naderhand verstrekte gegevens onverminderd recht had op volledige bijstand, valt dit buiten de beoordeling van de vraag of het college op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB tot intrekking kon overgaan.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2016.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) A. Stuut

HD