Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:141

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-01-2016
Datum publicatie
16-01-2016
Zaaknummer
14-6978 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eervol ontslag wegens overtolligheid. De minister heeft niet voldaan aan zijn in artikel 42 van het AMAR vervatte verplichting een zorgvuldig herplaatsingsonderzoek te verrichten. De minister was daarom niet bevoegd appellant te ontslaan wegens overtolligheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2016/49
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6978 MAW

Datum uitspraak: 14 januari 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 november 2014, 14/20 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.J. Romijn hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Romijn. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.A. Meijer, A.J. Brilman en A.S. Punt.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was als [naam functie] aangesteld bij het Ministerie van Defensie. Van 1 april 2009 tot 1 februari 2011 heeft hij in de rang van [rang] de functie van [naam functie B] vervuld.

1.2.

Omdat appellant na afloop van de functieduur nog geen andere functie had, is hij als “zwevend” aangemerkt. Met ingang van 1 oktober 2012 is appellant met toepassing van het Sociaal beleidskader Defensie 2004 (SBK 2004) als interne herplaatsingskandidaat aangewezen.

1.3.

Het herplaatsingsonderzoek volgens het SBK 2004 duurt in beginsel ten hoogste

24 maanden. Daarvan worden in een periode van 2 tot 6 maanden de mogelijkheden voor interne herplaatsing worden onderzocht, waarna de inspanningen uitsluitend worden gericht op herplaatsing buiten Defensie.

1.4.

Tijdens het loopbaangesprek op 18 november 2011 heeft appellant te kennen gegeven dat hij van plan was in januari 2012 een (deeltijd)opleiding te starten aan een Regionaal Opleidingscentrum. Op 6 januari 2012 heeft de P&O adviseur appellant meegedeeld dat de interne herplaatsingsactiviteiten zullen worden beëindigd wanneer appellant niet stopt met zijn opleiding. Appellant heeft te kennen gegeven dat de opleiding geen vijf dagen per week in beslag neemt en dat hij zijn opleiding kan stoppen als er kansen zijn op herplaatsing. Appellant heeft de opleiding voortgezet.

1.5.

Bij besluit van 27 maart 2012 is appellant meegedeeld dat op zijn verzoek de inspanningen vanaf dat moment uitsluitend zullen zijn gericht op externe herplaatsing.

1.6.

Bij besluit van 11 april 2013 heeft de minister appellant met ingang van 1 oktober 2013 eervol ontslag wegens overtolligheid verleend met toepassing van artikel 39, tweede lid aanhef en onder d, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR).

1.7.

In juni 2013 is besloten de kosten van de door appellant gevolgde opleiding te vergoeden.

1.8.

Bij besluit van 21 november 2013 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Volgens de minister stond het volgen van een opleiding de interne herplaatsing in de weg. Om die reden was toetsing door de Decentrale Toetsingscommissie Interne Herplaatsing (DTIH), waarom appellant had verzocht, niet aan de orde. Gedurende het extern gerichte herplaatsingsonderzoek zijn de inspanningen overeenkomstig de procedure van het SBK 2004 uitsluitend gericht op plaatsing buiten Defensie.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank volgt uit het besluit van 27 maart 2012 dat het interne herplaatsingstraject is beëindigd. Voor zover beroepsgronden over dat traject zijn aangevoerd wijst de rechtbank erop dat het besluit van 27 maart 2012 in rechte vaststaat. Verder zijn het interne en externe herplaatsingstraject gescheiden trajecten waarbij op de minister tijdens het externe traject geen inspanningsverplichting rustte eiser intern te herplaatsen. Volgens de rechtbank is het externe herplaatsingsonderzoek niet onzorgvuldig verlopen. Appellant heeft ondersteuning en coaching gehad van Conclusion Mobiliteit en hij heeft zijn opleiding vergoed gekregen.

3. Appellant heeft in hoger beroep de aangevallen uitspraak op hierna te bespreken gronden bestreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Volgens appellant heeft de minister in strijd met het SBK 2004 een toetsing van het interne herplaatsingstraject door de DTIH achterwege gelaten. De rechtbank is hier ten onrechte aan voorbij gegaan om reden dat het besluit van 27 maart 2012 in rechte vaststaat.

4.1.2.

Met het besluit van 27 maart 2012 is uitsluitend het einde van het interne herplaatsingstraject en de aanvang van het externe herplaatsingstraject bepaald. Het in rechte vaststaan van dit besluit brengt dan ook niet mee dat bij de beoordeling van het ontslagbesluit van de zorgvuldigheid van het interne herplaatsingsonderzoek moet worden uitgegaan. De rechtbank heeft ten onrechte de beroepsgrond van appellant over het interne herplaatsingsonderzoek buiten beschouwing gelaten. Deze beroepsgrond slaagt.

4.1.3.

Appellant betoogt verder terecht dat toetsing door de DTIH zonder goede reden niet is verricht. Paragraaf 3.6.2 van het SBK 2004 vermeldt dat wanneer interne herplaatsing naar verwachting niet mogelijk is, dit aan de herplaatsingskandidaat wordt meegedeeld waarna deze kan verzoeken om toetsing door de DTIH. De DTIH toetst of bij het interne herplaatsingsonderzoek de nodige zorgvuldigheid in acht is genomen. Indien dat niet het geval is kan worden besloten het interne herplaatsingsonderzoek voort te zetten. Appellant heeft verzocht om toetsing door de DTIH. Volgens de minister was er geen aanleiding voor deze toetsing, omdat appellant door het volgen van een opleiding gedurende het interne herplaatsingsonderzoek interne herplaatsing onmogelijk heeft gemaakt. Daarbij gaat de minister ervan uit dat een herplaatsingskandidaat tijdens het interne herplaatsingsonderzoek zijn volledige aandacht dient te geven aan dit traject. De Raad kan de minister hier niet in volgen. Appellant volgde een deeltijdopleiding, zodat niet valt in te zien dat er voor hem onvoldoende tijd overbleef om aan het interne herplaatsingsonderzoek te besteden. In de praktijk is daarvan ook niet gebleken. Appellant heeft daarnaast van meet af aan laten weten prioriteit te geven aan het interne herplaatsingstraject boven het volgen van een opleiding. Dat appellant naast het interne herplaatsingsonderzoek geen tijd over zou houden voor het volgen van een opleiding valt ook niet te rijmen met het standpunt van de minister dat in die periode vanwege de reorganisatie weinig vacatures beschikbaar waren. Omdat in strijd met

paragraaf 3.6.2 van het SBK 2004 geen toetsing door de DTIH heeft plaatsgevonden, is het interne herplaatsingsonderzoek niet zorgvuldig geweest.

4.2.1.

Appellant heeft in de tweede plaats aangevoerd dat tijdens het externe herplaatsingsonderzoek zijn sollicitaties naar interne functies ten onrechte niet in behandeling zijn genomen. De minister heeft zich, onder verwijzing naar het SBK 2004, op het standpunt gesteld dat na afronding van het interne herplaatsingsonderzoek de inspanningen uitsluitend worden gericht op herplaatsing buiten Defensie.

4.2.2.

De vermelding in het SBK 2004 dat tijdens het externe herplaatsingsonderzoek “de inspanningen vervolgens uitsluitend worden gericht op herplaatsing buiten Defensie” brengt, anders dan de rechtbank en de minister menen, niet mee dat het de herplaatsingskandidaat niet is toegestaan als interne kandidaat te solliciteren naar passende functies bij Defensie. Voor een dergelijke beperkende uitleg van de mogelijkheden van een herplaatsingskandidaat bevat het SBK 2004 geen aanknopingspunten. Dat de inspanningen van de begeleidingsorganisatie zich na een niet succesvolle afronding van het interne herplaatsingstraject volledig richten op herplaatsing buiten Defensie, staat er niet aan in de weg dat de herplaatsingskandidaat op eigen initiatief probeert een passende functie binnen Defensie te verkrijgen. Verder was appellant tijdens het externe herplaatsingsonderzoek nog aangesteld bij Defensie. Niet valt in te zien waarom hij als herplaatsingskandidaat niet zou mogen solliciteren naar functies bij Defensie, terwijl defensieambtenaren die niet met ontslag worden bedreigd, die mogelijkheid wel hebben. Doordat appellant is belemmerd te solliciteren naar interne functies is het externe herplaatsingsonderzoek niet zorgvuldig verlopen.

4.3.

De conclusie is dat de minister niet heeft voldaan aan zijn in artikel 42 van het AMAR vervatte verplichting een zorgvuldig herplaatsingsonderzoek te verrichten. De minister was daarom niet bevoegd appellant te ontslaan wegens overtolligheid. De minister zal, alvorens opnieuw tot ontslag te kunnen overgaan, alsnog een zorgvuldig herplaatsingsonderzoek moeten uitvoeren. Zo’n onderzoek zal zich in beginsel moeten uitstrekken over een periode van zes maanden, waarbij kan worden volstaan met een extern herplaatsingsonderzoek in de zin van het SBK 2004, met dien verstande dat appellant gedurende deze periode in de gelegenheid wordt gesteld te solliciteren naar passende functies bij Defensie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat appellant als “zwevende” functionaris en herplaatsingskandidaat meer dan twee jaar vrijgesteld is geweest van het verrichten van werkzaamheden en dat zijn opleidingskosten zijn vergoed.

4.4.

Uit wat onder 4.1.2 tot en met 4.2.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en het besluit van 11 april 2013 herroepen.

5. Aanleiding bestaat om de minister de veroordelen in de (proces)kosten van appellant in bezwaar, in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 496,- in bezwaar,

€ 992,- in beroep en € 992,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 21 november 2013 gegrond;

- herroept het besluit van 11 april 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van

het besluit van 21 november 2013;

- bepaalt dat de minister aan appellant het in beroep en hoger betaalde griffierecht van € 406,-

vergoedt;

- veroordeelt de minister in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.480,-.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en

W.J.A.M. van Brussel en J.A.M. van den Berk als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2016.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) V. van Rij

HD