Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1406

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-04-2016
Datum publicatie
22-04-2016
Zaaknummer
14-6365 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Premie toegekend in verband met vergroten kans inschakeling arbeidsproces. Verordening. Leerwerkplek. Vrijheid college premiebedrag vast te stellen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 7
Wet werk en bijstand 8
Wet werk en bijstand 10a
Wet werk en bijstand 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2016/116
USZ 2016/174
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6365 WWB

Datum uitspraak: 19 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 oktober 2014, 14/4773 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2016. Appellant is verschenen. Het college heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving ten tijde hier van belang bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Appellant heeft van 2 april 2013 tot en met 2 oktober 2013 werkzaamheden verricht op een leerwerkplek. Bij besluit van 10 januari 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 mei 2014 (bestreden besluit), heeft het college aan appellant een premie van € 360,- toegekend met toepassing van artikel 10a, zesde lid, van de WWB en de

Re-integratieverordening WWB 2013 van de gemeente ’s-Gravenhage

(Re-integratieverordening). Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant heeft meegewerkt om zijn kansen op betaald werk te vergroten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat hem op grond van het bepaalde in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de WWB een hogere premie toekomt dan aan hem is toegekend. Verder heeft hij, kort weergegeven, het volgende aangevoerd. De Re-integratieverordening is niet een verordening als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de WWB. Appellant had de gerechtvaardigde, maar niet gehonoreerde, verwachting dat hij aanspraak had op een hoger premiebedrag. Het college heeft gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank is buiten de omvang van het geding getreden. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 1 van de Grondwet, artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), artikel 1 van het eerste protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (EU-verdrag) en de artikelen 121, 145 en 146 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VwEU).

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is de gemeenteraad verplicht om bij verordening regels vast te stellen met betrekking tot het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Ingevolge artikel 8,

eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB is de gemeenteraad verplicht om bij verordening regels vast te stellen met betrekking tot de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de WWB. In artikel 10a, zesde lid, van de WWB is bepaald, kort weergegeven, dat het college aan een belanghebbende, telkens nadat hij gedurende zes maanden op grond van dit artikel additionele werkzaamheden heeft verricht, een premie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, verstrekt indien hij naar het oordeel van het college in die zes maanden voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op inschakeling in het arbeidsproces. In artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de WWB is bepaald, kort weergegeven, dat die premie niet tot de middelen wordt gerekend voor zover het een één- of tweemalige premie van ten hoogste € 2.366,- per kalenderjaar betreft.

4.2.

De gemeenteraad heeft, anders dan appellant meent, aan de in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB neergelegde verplichting voldaan door vaststelling van de Re-integratieverordening. Dat deze verordening deze verplichting betreft volgt onder meer uit de in de Re-integratieverordening opgenomen paragraaf “Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd”, waarin onder meer als grondslag artikel 8 van de WWB is vermeld.

4.3.

Artikel 4, tweede lid, aanhef en onder d, onder 1, van de Re-integratieverordening bepaalt dat het college een leerwerkplek kan aanbieden en dat de voorwaarden en verplichtingen voor de leerwerkplek staan omschreven in artikel 10a van de wet. Niet valt in te zien dat, zoals appellant heeft betoogd, de rechtbank met het vermelden van deze bepaling buiten de omvang van het geding is getreden dan wel ambtshalve de rechtsgronden van het bestreden besluit heeft aangevuld.

4.4.

Artikel 4, tweede lid, aanhef en onder d, onder 2, van de Re-integratieverordening bepaalt dat het college aan een uitkeringsgerechtigde na elke zes maanden op een leerwerkplek een premie verstrekt. Voor de hoogte van die premie heeft de gemeenteraad blijkens het slot van dit artikelonderdeel aansluiting gezocht bij het in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder r, van de WWB vermelde bedrag, door te bepalen, voor zover hier van belang, dat de premie

50 procent bedraagt van het maximum bedrag, zoals genoemd in artikel 31 tweede lid, sub r van de wet. Het maximum bedrag, zoals genoemd in laatst vermelde bepaling bedroeg ten tijde hier van belang € 120,- per maand.

4.5.

Uit de in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB neergelegde verplichting van de gemeenteraad om bij verordening regels te stellen met betrekking tot de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de WWB, volgt dat het de gemeenteraad in beginsel vrij stond om de premie naar eigen inzicht te bepalen. Geen wettelijke bepaling schrijft voor dat de gemeenteraad hierbij aansluiting had moeten zoeken bij het in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder j, van de WWB vermelde bedrag van € 2.250,- . De omstandigheid dat het ingevolge artikel 10a, zesde lid, van de WWB gaat om een premie als bedoeld in artikel 31 tweede lid, sub j van de WWB doet aan voormelde vrijheid van de gemeenteraad niet af. Aan laatst bedoeld artikelonderdeel kon appellant dan ook geen aanspraak op een hoger premiebedrag ontlenen.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het college terecht met toepassing van artikel 4,

tweede lid, aanhef en onder d, van de Re-integratieverordening de hoogte van de aan appellant toekomende premie heeft vastgesteld op 50 procent van € 120,- per maand over de zes maanden waarin hij werkzaam was op de leerwerkplek en in totaal op € 360,-.

4.7.

Wat appellant overigens heeft aangevoerd treft geen doel. Aan de omstandigheid dat appellant meende dat hij op grond van het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en

onder j, van de WWB recht had op een hoger premiebedrag dan hem is toegekend kon hij niet de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat hem een hoger bedrag toekwam. Van strijd met het vertrouwensbeginsel dan wel het rechtszekerheidsbeginsel is ook anderszins niet gebleken. Voorts is geen grond aanwezig voor het oordeel dat het college met het nemen van het bestreden besluit heeft gehandeld in strijd met het in artikel 1 van de Grondwet en artikel 26 van het IVBPR neergelegde gelijkheidsbeginsel. Gelet op wat onder 4.6 is overwogen valt niet in te zien dat aan appellant een eigendomsrecht zoals beschermd bij artikel 1 van het eerste Protocol bij het EVRM is ontnomen. Voor het oordeel dat, zoals door appellant betoogd, het bestreden besluit onrechtmatig is wegens strijd met het stelsel van de hiervoor besproken regelingen met het beleid van de Europese Unie, zoals volgens appellant neergelegd in artikel 3 van het EU-verdrag en de artikelen 121, 145 en 146 van het VwEU is geen grond aanwezig.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2016.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) A. Stuut

HD