Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1383

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-04-2016
Datum publicatie
19-04-2016
Zaaknummer
14/6181 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Geschikt voor ten minste één van de in het kader van de WIA-beoordeling geduide functies. De verzekeringsartsen zijn op zorgvuldige wijze tot het overtuigende oordeel gekomen, dat appellante met haar beperkingen in staat moest worden geacht de maatgevende werkzaamheden te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0413
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6181 ZW

Datum uitspraak: 13 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 16 oktober 2014, 13/6432 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.C. Cornelisse, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2016. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als begeleidster in een woonvorm voor ouderen voor 20 uur per week toen zij zich op 23 december 2008 ziek meldde. Haar dienstverband is op

31 december 2010 beëindigd. Het Uwv heeft vastgesteld dat appellante na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 22 december 2010 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat appellante per deze datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellante werd met haar beperkingen in staat geacht functies als keukenverkoper, schadecorrespondent, telefonist/receptionist en receptionist/baliemedewerker te vervullen. Appellante heeft zich op 6 juli 2012 ziek gemeld wegens heup-, schouder- en buikklachten. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

1.2.

Op 28 juni 2013 heeft zij het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante per 1 juli 2013 geschikt geacht voor de functies van telefonist/receptionist en receptionist/baliemedewerker. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 28 juni 2013 vastgesteld dat appellante per 1 juli 2013 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellante tegen deze beslissing heeft het Uwv bij besluit van 9 september 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 5 september 2013 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij in verband met haar klachten en beperkingen niet in staat is de maatgevende functies uit te oefenen en dat de rechtbank ten onrechte het Uwv heeft gevolgd. Zij heeft gewezen op de visie van haar behandelend revalidatiearts, en heeft verzocht een deskundige te benoemen.

3.2.

Het Uwv heeft om bevestiging van de aangevallen uitspraak verzocht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die aan hem zijn voorgehouden bij de laatste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.

4.2.

De verzekeringsarts heeft appellante op het spreekuur gesproken en onderzocht en alle klachten van appellante beoordeeld. De verzekeringsarts is van mening dat appellante forse beperkingen heeft en is aangewezen op lichamelijk niet zwaar belastend werk. Enkele van de eerder aan appellante in het kader van de WIA beoordeling voorgehouden functies betreffen lichamelijk niet zwaar belastend werk, met mogelijkheid tot vertreden, voornamelijk zittend werk en zonder relevante belasting voor tillen, dragen en andere belastende aspecten. Het gaat bovendien om parttime functies, zodat appellante de gelegenheid heeft tot recuperatie. Hij heeft geconcludeerd dat appellante die functies moet kunnen uitoefenen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante ook onderzocht op zijn spreekuur en heeft bij zijn beoordeling informatie betrokken van appellantes behandelend anesthesioloog. In zijn rapport van 14 maart 2014 is de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook ingegaan op de brief van

13 januari 2014 van appellantes behandelend revalidatiearts. Hij heeft geconcludeerd dat daaruit geen nieuwe informatie blijkt waarmee nog geen rekening is gehouden. Het onderzoek door de verzekeringsartsen is uitvoerig en zorgvuldig geweest.

4.3.

De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat het onderzoek door de verzekeringsartsen uitvoerig en zorgvuldig is geweest en heeft ook terecht in de brief van de revalidatiearts van 10 februari 2014, naar aanleiding van een controle bezoek op die datum, geen reden gezien om het Uwv niet te volgen of zelf een deskundige in te schakelen. In genoemde brief heeft de revalidatiearts opgemerkt dat hij inschat dat de belastbaarheid van appellante niet dusdanig is dat zij haar oude werkzaamheden (als verzorgende) kan hervatten. Appellante meent dat de conclusie van de revalidatiearts in de betreffende brief ook van toepassing is op haar situatie op 1 juli 2013 en aanleiding zou moeten zijn een deskundige revalidatiearts te vragen om advies uit te brengen.

4.4.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overtuigend aangegeven dat de informatie van de revalidatiearts uit de brief van 13 januari 2014, die niet in relevante mate afwijkt van de informatie uit de brief van 10 februari 2014, bij de beoordeling is betrokken en geen reden vormt om tot een ander oordeel te komen. Alles overziende, met inachtneming van de informatie van de behandelend artsen van appellante, zijn de verzekeringsartsen op zorgvuldige wijze tot het overtuigende oordeel gekomen, dat appellante op 1 juli 2013 met haar beperkingen in staat moest worden geacht de maatgevende werkzaamheden te verrichten. Evenals de rechtbank ziet de Raad geen reden om een deskundige in te schakelen.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van

J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

13 april 2016.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) J.W.L. van der Loo

AP