Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1382

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-04-2016
Datum publicatie
19-04-2016
Zaaknummer
15/122 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Het Uwv heeft terecht in de psychische klachten en beperkingen van appellant en in de omgevingsfactoren van zijn werkplek geen reden gezien om hem voor zijn werkzaamheden ongeschikt te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0410
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/122 ZW

Datum uitspraak: 13 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

25 november 2014, 14/1931 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.W.J. van den Broek, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 2 maart 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Broek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als horecamedewerker voor ongeveer 25 uur per week. Zijn dienstverband is op 1 maart 2013 beëindigd. Appellant heeft zich op 28 oktober 2013 ziek gemeld met psychische en neurologische klachten. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

1.2.

Op 5 februari 2014 en 18 maart 2014 heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. De verzekeringsarts heeft appellant per 19 maart 2014 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van medewerker bediening in de horeca. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 18 maart 2014 vastgesteld dat appellant per 19 maart 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 29 april 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 april 2014 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het Uwv heeft gevolgd in haar oordeel dat hij met zijn klachten en beperkingen in staat was zijn werkzaamheden als horecamedewerker te verrichten.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

4.2.

Niet in geschil is dat de te beoordelen werkzaamheden van appellant de werkzaamheden verbonden aan de functie van medewerker bediening in de horeca betreffen. Ter zitting is duidelijk geworden dat het gaat om bedieningswerkzaamheden gedurende ongeveer 25 uur per week achter de bar en in de bediening bij een klein café met een zestal tafeltjes, waar alleen drankjes worden geserveerd.

4.3.

Appellant heeft in hoger beroep een aantal gronden tegen de aangevallen uitspraak geformuleerd, die er op neer komen dat hij van mening is dat hij als gevolg van zijn klachten en beperkingen niet in staat was om op 19 maart 2014 de betreffende werkzaamheden te verrichten.

4.4.1.

De rechtbank heeft terecht het Uwv gevolgd in het standpunt dat appellant met zijn fysieke en neurologische klachten en beperkingen zijn functie moet kunnen uitoefenen. Appellant is in 2010 geopereerd aan een groot meningeoom. Hij heeft postoperatief een ernstig wondprobleem doorgemaakt. Appellant heeft daarna last gekregen van epilepsieaanvallen en van doofheid in zijn linkerarm en -been. Appellant heeft in dit verband gewezen op informatiebrieven van zijn behandelend neuroloog en neurochirurg. Door het krachtverlies kan hij het bedieningswerk onvoldoende doen, omdat hij daarvoor zowel links als rechts gezonde ledematen nodig heeft.

4.4.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant bij de hoorzitting gezien en gesproken en heeft in zijn rapporten van 22 april 2014, 21 juli 2014 en 10 februari 2015 de argumenten van appellant en de overgelegde informatie van zijn behandelaars besproken. De laatste epilepsieaanval voor de in deze zaak relevante periode heeft zich bij appellant voorgedaan op 13 januari 2012, ruim twee jaar voor 19 maart 2014, en inmiddels zijn de aanvallen via medicatie goed onder controle. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de verminderde kracht van appellant in zijn linkerhand, -arm en -been onderkend, maar is van mening, gelet ook op de informatie van de behandelend neuroloog van appellant en gelet op de observaties door de verzekeringsartsen, dat appellant zijn functie wel goed moet kunnen uitoefenen. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarin kan worden gevolgd. Blijkens de rapporten heeft hij met alle aspecten rekening gehouden en zijn oordeel overtuigend gemotiveerd. In de beschikbare informatie zijn onvoldoende aanknopingspunten te vinden voor de stelling dat de werkzaamheden niet kunnen worden verricht door appellant. Daarbij is van belang dat de werkzaamheden van appellant plaatsvinden in een klein café, waarbij twee medewerkers een beperkt aantal gasten moeten bedienen.

4.5.1.

De rechtbank kan ook worden gevolgd in de beslissing dat het Uwv terecht in de psychische klachten en beperkingen van appellant en in de omgevingsfactoren van zijn werkplek geen reden heeft gezien om hem voor zijn werkzaamheden ongeschikt te achten. Appellant heeft gesteld last te hebben van een lawaaiige omgeving en van licht, wat juist in de horeca belangrijke omgevingsfactoren zijn. Ook heeft appellant psychische klachten waardoor hij de genoemde functie niet meer kan uitoefenen. Appellant acht zich daarbij gesteund door informatie van de psychiater K.M.I. Hilderson, die hem heeft behandeld, en van de praktijkondersteuner (poh/ggz) [naam praktijkondersteuner] .

4.5.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep kan worden gevolgd in diens vaststelling dat uit de informatie van de behandelend artsen geen ernstig psychiatrisch beeld naar voren komt en dat de aard van de werkzaamheden niet zodanig is dat appellant dat werk met zijn klachten niet zou kunnen verrichten. De door appellant gestelde en ervaren problemen met licht en geluid worden onvoldoende bevestigd door de beschikbare informatie van zijn behandelend artsen.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.5.2 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van

J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

13 april 2016.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) J.W.L. van der Loo

AP