Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1380

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-04-2016
Datum publicatie
19-04-2016
Zaaknummer
15/24 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen aanleiding om het medisch oordeel in twijfel te trekken. niet gebleken dat de primaire verzekeringsarts niet objectief is geweest. Geen aanwijzingen om te twijfelen aan de objectiviteit van de verzekeringsarts.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0411
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/24 ZW

Datum uitspraak: 13 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

21 november 2014, 14/5053 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. O. Albayrak, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2016. Appellante noch haar gemachtigde is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

W.H.M. Visser.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als klassenassistent voor 40 uur per week. Haar dienstverband is op 2 juli 2012 beëindigd. Appellante heeft zich op 14 februari 2014 ziek gemeld met psychische en lichamelijke klachten. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

1.2.

Op 11 april 2014 heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante per 14 februari 2014, subsidiair 11 april 2014 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van klassenassistent. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 17 april 2014 vastgesteld dat appellante geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 21 mei 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 mei 2014 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat het onderzoek door de verzekeringsarts en verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig is geweest. De grond van appellante dat het Uwv ten onrechte geen informatie heeft ingewonnen, slaagt niet. Appellante wilde daar geen toestemming voor geven. Evenmin heeft zij zelf relevante informatie in geding gebracht op grond waarvan tot een ander oordeel gekomen zou kunnen worden. De grond dat er geen Functionele Mogelijkhedenlijst is opgesteld slaagt ook niet. Volgens vaste rechtspraak is dat niet noodzakelijk indien, zoals in dit geval, de verzekeringsarts beschikt over voldoende gegevens om de geschiktheid voor het eigen werk vast te stellen. Het medisch onderzoek is ook overigens zorgvuldig.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest. Appellante heeft wel medische stukken ingediend, waaronder de brief van de reumatoloog van 21 augustus 2014. De reumatoloog heeft aangegeven dat de klachten het meest passend zijn bij fibromyalgie. De rechtbank heeft deze informatie niet bij de beoordeling betrokken. Door de fibromyalgie kan ze haar werk als klassenassistent niet meer verrichten. Verzocht wordt een deskundige te benoemen. Appellante heeft voorts aangevoerd dat mogelijk geen objectieve beoordeling door de verzekeringsarts heeft plaatsgevonden. Appellante heeft vooraf gevraagd om een andere verzekeringsarts, maar dat is niet gebeurd. Het gesprek is vervolgens geëscaleerd. Onder deze escalatie heeft de verzekeringsarts haar oordeel moeten geven

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

4.2.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat om het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt in twijfel te trekken. De klachten en beperkingen van appellante waren bekend bij de verzekeringsarts en verzekeringsarts bezwaar en beroep. Met deze klachten is in voldoende mate rekening gehouden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kon zich vinden in het oordeel van de primaire verzekeringsarts. Er zijn geen duidelijke lichamelijke of psychische afwijkingen gevonden. Er is weliswaar sprake van een lichte depressie, maar activatie middels arbeid is juist gewenst om het sociale isolement te doorbreken. Ook met de brief van de reumatoloog van 21 augustus 2014 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, zoals blijkt uit zijn rapport van 11 september 2014, voldoende rekening gehouden.

4.3.

Het verzoek van appellante om een onafhankelijke deskundige te benoemen wordt afgewezen. De onderbouwing van het bestreden besluit door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is overtuigend. De noodzakelijke twijfel om tot het benoemen van een deskundige over te gaan ontbreekt.

4.4.

Het is de Raad niet gebleken dat de primaire verzekeringsarts niet objectief is geweest. Haar rapport is duidelijk, begrijpelijk en concludent. De Raad ziet geen aanwijzingen om te twijfelen aan de objectiviteit van de verzekeringsarts. Van enige vooringenomenheid is ook niet gebleken. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep eigen onderzoek verricht en heeft zich volledig kunnen verenigen met de conclusies van de primaire verzekeringsarts.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet als voorzitter, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 april 2016.

(getekend) A.T. Kwaasteniet

(getekend) J.W.L. van der Loo

UM