Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1375

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-04-2016
Datum publicatie
19-04-2016
Zaaknummer
15/4069 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning van en overgang naar de LFNP-functie. Transponeringstabel geen algemeen verbindend voorschrift. Aan deze tabel moet een zwaarwegende betekenis worden gehecht. Geen aanleiding het resultaat van de matching onhoudbaar te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4069 AW

Datum uitspraak: 14 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

20 mei 2015, 14/2746 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.P.L.C. Dijkgraaf, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

In het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie 2008-2010 is onder meer afgesproken dat voor de sector Politie landelijk een nieuw functiegebouw zal gaan gelden. Daartoe is een stelsel van (uiteindelijk) 92 functies met daarbij behorende functiebenamingen ontwikkeld, voorzien van een waardering per functie. Dit geheel wordt aangeduid als het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) en is vastgelegd in de Regeling vaststelling LFNP (Stcrt. 2013, nr. 13079). Voor een uiteenzetting over de onderscheiden stappen in het kader van de invoering van het LFNP alsmede een weergave van de toepasselijke regelgeving verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663.

1.2.

Appellant was werkzaam in de voormalige politieregio [politieregio], thans regionale eenheid [naam eenheid]. Bij besluit van 24 oktober 2011 heeft de korpschef de uitgangspositie van appellant voor zijn toekomstige LFNP-functie bepaald op [functie A] (schaal 11). Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3.

Op 16 december 2013 heeft de korpschef ten aanzien van appellant besloten tot toekenning van en overgang naar de LFNP-functie [functie B] in het vakgebied [vakgebied], met bijbehorende schaal 10. Bij besluit van 25 juni 2014 (bestreden besluit) is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad komt naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd tot de volgende beoordeling.

3.1.

Zoals de Raad in de onder 1.1 aangehaalde uitspraken van 1 juni 2015 tot uitdrukking heeft gebracht, kan de transponeringstabel (TPT), opgenomen in de bijlage bij de Regeling overgang naar een LFNP-functie, Stcrt. 2013, nr. 13141 (Regeling), anders dan de korpschef en de rechtbank tot uitgangspunt hebben genomen, niet worden aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift. Dit neemt echter niet weg dat aan deze tabel, mede op grond van de waarborgen waarmee de totstandkoming ervan is omgeven, een zwaarwegende betekenis moet worden gehecht. De korpschef mag dan ook bij het nemen van besluiten over de toekenning van en overgang naar een LFNP-functie ervan uitgaan dat de toepassing van de voor het matchingsproces geldende regels tot de in de tabel vermelde uitkomst leidt. Het enkele feit dat de korpschef de TPT heeft aangemerkt als algemeen verbindend voorschrift, maakt nog niet dat het bestreden besluit een voldoende motivering ontbeert en dat de aangevallen uitspraak reeds daarom voor vernietiging in aanmerking komt, zoals appellant heeft aangevoerd. De korpschef mag immers in beginsel volstaan met een verwijzing naar de TPT. Beoordeeld moet dan ook worden of het bestreden besluit anderszins een onvoldoende motivering bevat. Daarbij wordt opgemerkt dat, zoals eveneens in de hiervoor genoemde uitspraken van 1 juni 2015 tot uitdrukking is gebracht, het aan appellant is om aannemelijk te maken dat de matching in zijn geval niet conform de Regeling en de TPT is geschied, dan wel dat het resultaat van de matching onhoudbaar is te achten.

3.2.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de matching in strijd is met de Regeling en dat het resultaat van de matching voor de groep leidinggevende zoals appellant wegens strijd met de zorgvuldigheid onhoudbaar is te achten. Appellant heeft daarbij aangevoerd dat de matchingsregels ondeugdelijk zijn, omdat het criterium dat bepalend is voor het onderscheid tussen [functie B] (schaal 10) of [functie C] (schaal 12) ondeugdelijk is. Gedoeld wordt op het criterium ‘gewerkt hebben met niet-eerder verkende problematiek’. Dit betoog slaagt niet.

3.3.

Daarvoor is in de eerste plaats redengevend dat het gehele proces van matching in samenspraak met, en onder (eind)verantwoordelijkheid van, het Georganiseerd Overleg in Politieambtenarenzaken (GOP) heeft plaatsgevonden en de neerslag vormt van binnen het GOP gevoerd overleg. Inherent aan zodanig overleg is dat over en weer sprake is van geven en nemen. De uitkomst van zo’n onderhandelingsproces kan dan ook niet met vrucht worden bestreden door enkel te wijzen op de voor de werknemer nadelige gevolgen ervan en de voordelen buiten beschouwing te laten (vergelijk de onder 1.1 genoemde uitspraken van

1 juni 2015). Daarbij komt dat in het matchingsproces expliciet rekening is gehouden met en aandacht besteed aan de situatie van [functie D] met een korpsfunctie in schaal 11, zoals appellant. Dit blijkt uit de Handleiding uitvoering matching LFNP 2013 (Handleiding) (deel III, hoofdstuk B, pagina’s 9 en 22 e.v.). Er is geen grond voor het oordeel dat sprake zou zijn van het gebruik van een ondeugdelijk (onderscheidend) criterium, vanwege het gebruik van andere bewoordingen en begrippen dan die in de oude korpsfunctiebeschrijvingen voorkwamen. Uit de Handleiding blijkt dat het voor de werkgroep matching wel degelijk mogelijk was een vergelijking te maken tussen de oude korpsfunctiebeschrijvingen en de nieuwe LFNP-functies, alhoewel soms sprake was van moeilijke keuzes. Zoals de Raad in de eerder genoemde uitspraken van 1 juni 2015 heeft overwogen, is het uitgangspunt bij de matching de formele functiebeschrijving geweest, zo ook in het geval van appellant. De inhoud van zijn korpsfunctiebeschrijving is dan ook bepalend geweest voor de indeling in domein, vakgebied en functie. Dit is conform het bepaalde in artikel 3 van de Regeling in verbinding met artikel 5, tweede en derde lid, van de Regeling.

3.4.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraken van 28 januari 2016 (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2016:346) heeft de werkgroep matching in de Handleiding (p. 26-30) voorts uitdrukkelijk en inzichtelijk gemotiveerd waarom de korpsfuncties van [functie D] in schaal 11, zoals die van appellant, zijn gematcht met de naast gelegen lagere LFNP-functie [functie B] (schaal 10) en niet met [functie C] (schaal 12), zoals appellant ambieert. De werkgroep matching heeft, gelet op de onderscheidende kenmerken van beide LFNP-functies, onvoldoende objectieve aanknopingspunten gevonden om de korpsfunctiebeschrijvingen van [functie D] in schaal 11 te matchen met de LFNP-functie [functie C] en heeft matching met LFNP-functie [functie B] aangewezen geacht. De Raad heeft de gegeven motivering inzichtelijk geacht en ook overigens geen aanleiding gezien het resultaat van de matching onhoudbaar te achten. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding voor een ander oordeel. Uit appellants korpsfunctiebeschrijving blijkt niet dat in zijn functie sprake was van niet eerder verkende problematiek, nieuwe benaderwijzen en/of werkzaamheden waarin specialisten de aanpak van deze problematiek structureel middels directe inzet en inbreng ondersteunen. Evenmin blijkt dat appellant (structureel) tot taak had [vakgebied] te geven aan equivalenten van de LFNP-functies Operationeel Specialist en Bedrijfsvoeringspecialist, waarvan een hoogwaardige bijdrage wordt verwacht. Hiermee wordt bedoeld Operationeel Specialisten en Bedrijfsvoeringspecialisten van niveau D en hoger.

3.5.

Uit 3.1 tot en met 3.4 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2016.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) P.W.J. Hospel

HD