Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1372

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-04-2016
Datum publicatie
19-04-2016
Zaaknummer
15-350 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Het Uwv heeft terecht toepassing gegeven aan de met de Wet Bezava aan de ZW toegevoegde artikelen 19aa en 19ab van de ZW. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit. Beperkingen juist weergegeven in de FML. De belasting in de geduide functies overschrijdt de belastbaarheid van appellant niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0407
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/350 ZW

Datum uitspraak: 13 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

5 december 2014, 14/2377 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. Hermans, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2016. Appellant en zijn gemachtigde zijn - met bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J.M.H. Lagerwaard.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als medewerker champignonbedrijf voor 40 uur per week, toen hij zich per 10 februari 2013 voor dit werk ziek meldde met rugklachten. Zijn dienstverband is op 29 mei 2013 beëindigd wegens faillissement van het bedrijf.

1.2.

Op 25 november 2013 heeft appellant, in het kader van de eerstejaars

Ziektewet-beoordeling, het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige functies geselecteerd op basis waarvan hij meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen, zodat appellant per 10 maart 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld. Dit is vastgelegd in het besluit van 20 januari 2014. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 16 juli 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 28 mei 2014 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 5 juni 2014 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn beperkingen niet juist zijn weergegeven in de FML. Zo is hij meer beperkt voor bukken, tillen en staan. Er zijn in het dossier meerdere stukken waar dat uit blijkt, zoals bijvoorbeeld de brief van fysiotherapeut

P. Reichert van 10 maart 2014. Ook zijn psychische beperkingen zijn niet goed ingeschat. Appellant verwijst naar een verklaring van psychiater dr. A. Böhlke van 17 april 2014.
Daarnaast zijn de geduide functies niet geschikt. Bij productiemedewerker, samensteller producten (SBC-code 111180) wordt de belastbaarheid overschreden op reiken, buigen, tillen, zitten en gebogen actief zijn. Ook is er te weinig afwisseling. Bij productiemedewerker voedingsmiddelen (SBC-code 111172) is er op die punten ook een overschrijding van de belastbaarheid. Daarnaast is die functie ongeschikt vanwege productiepieken en is er geen mogelijkheid voor acuut en onbeperkt toiletbezoek. Voor de functie inpakker (SBC-code 111190) geldt hetzelfde. Ook de reservefunctie is niet passend.

3.2.

Het Uwv heeft opgemerkt dat de gronden die in hoger beroep naar voren zijn gebracht een herhaling vormen van wat in bezwaar en in beroep is aangevoerd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 5 maart 2015 nogmaals beargumenteerd waarom de geduide functies passend zijn.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op 1 januari 2013 is de Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters (Wet Bezava) in werking getreden (Stb. 2012, 464). Nu appellant een verzekerde zonder werkgever is en hij zich op 10 februari 2013 ziek heeft gemeld, heeft het Uwv terecht toepassing gegeven aan de met de Wet Bezava aan de ZW toegevoegde artikelen 19aa en 19ab van de ZW. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).

4.2.1.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de beperkingen van appellant juist zijn weergegeven in de FML van 10 maart 2014. Uit de rapporten van de verzekeringsarts en verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat met alle geobjectiveerde beperkingen van appellant rekening is gehouden. Appellant is beperkt voor duwen en trekken, tillen of dragen, het frequent zware lasten hanteren en lopen. Daarnaast is hij licht beperkt voor staan en geknield en gehurkt actief zijn. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat om de beoordeling door de verzekeringsarts bewaar en beroep voor onjuist te houden. De overwegingen van de rechtbank worden volledig onderschreven.

4.2.2.

De belasting in de geduide functies overschrijdt de belastbaarheid van appellant niet. Voor zover er bij de geduide functies signaleringen zijn, die aangeven dat er mogelijk sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid op dat punt, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapporten van 5 juni 2014 en 5 maart 2015 uiteengezet waarom deze functies passend zijn.

5. Uit 4.1 tot en met 4.2.2 volgt dat de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat het Uwv op goede gronden heeft beslist dat appellant op 10 maart 2014 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de ZW. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet als voorzitter, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

13 april 2016.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) J.W.L. van der Loo

TM