Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1348

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-04-2016
Datum publicatie
15-04-2016
Zaaknummer
15/3118 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat deel van verweten gedragingen terecht zijn aangemerkt als plichtsverzuim. Schijn van belangenverstrengeling. Disciplinaire maatregel is niet onevenredig aan de ernst van het plichtsverzuim. Langdurige dienstverband en persoonlijke gevolgen gegeven ontslag doen niet af aan de ernst van het plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3118 AW

Datum uitspraak: 14 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 20 maart 2015, 14/4402 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.A. Jonkers, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2016. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Visser.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 1978 in dienst van de [naam werkgever]. De laatste 24 jaar van zijn dienstverband vervulde hij de functie van [naam functie A] bij de [naam organisatie] ([organisatie]) van de gemeente.

1.2.

Tijdens een onderzoek naar de aanbesteding van werkzaamheden aan een aantal panden van de [naam werkgever] zijn signalen ontvangen over integriteitsschendingen door appellant. Hiernaar heeft [naam B.V.] ([B.V.]) in opdracht van de [organisatie] tussen augustus en oktober 2013 onderzoek gedaan. Daarnaast is op 12 september 2013 intern gemeld dat appellant zich heeft bemoeid met een gemeentelijk onderzoek naar mogelijke illegale seksuele handelingen in de massagesalon van zijn vriendin. Op 18 september 2013 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [B.V.] en appellant. Bij besluit van 19 september 2013 is appellant per direct geschorst in het belang van de dienst. [B.V.] heeft op 14 november 2013 rapport uitgebracht.

1.3.

Na daartoe een voornemen bekend te hebben gemaakt waarop appellant zijn zienswijze heeft gegeven, heeft het college appellant bij besluit van 28 januari 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 juni 2014 (bestreden besluit), met onmiddellijke ingang ontslag verleend wegens plichtsverzuim op grond van artikel 16:3, eerste lid, onder h, en artikel 16:5 van de Arbeidsvoorwaardenregeling Utrecht (ARU). Daaraan zijn de volgende gedragingen als plichtsverzuim ten grondslag gelegd:

I. Het wekken van de schijn van belangenverstrengeling door:
a. privé geld te lenen (€ 3.000,- en € 4.000,-) of proberen te lenen van personen die zeggenschap hebben bij aannemers die een zakelijke relatie met de gemeente onderhouden;
b. een pand waarvan appellant eigenaar is te koop aan te bieden aan één van de onder a bedoelde personen;
c. een auto te kopen van een leverancier van de [naam werkgever] via een tussenpersoon, waardoor appellant een financieel voordeel heeft behaald.

II. De betrokkenheid van appellant bij massagesalon Feng Ka:
a. appellant heeft ten onrechte zijn nevenactiviteiten voor de massagesalon niet gemeld bij de [naam werkgever] terwijl hij op de hoogte was van illegale activiteiten in de massagesalon;
b. appellant heeft zich actief bemoeid met een toezichthoudend onderzoek van de [naam werkgever] naar de massagesalon.


III. Het e-mailgebruik van appellant:
a. appellant heeft door veelvuldig gebruik van het e-mailadres van de gemeente voor privédoeleinden het Gebruikersprotocol Automatiseringsmiddelen overtreden. Het privégebruik zag op e-mailverkeer over de massagesalon, panden waarvan appellant eigenaar is en met dames in Thailand en China;
b. appellant heeft bij zijn privé e-mailcorrespondentie gebruik gemaakt van de automatische ondertekening van de [naam werkgever] met vermelding van zijn functie en het gemeentelijk logo, waardoor hij de [naam werkgever] heeft betrokken bij zijn privéactiviteiten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de verweten gedragingen zijn aan te merken als plichtsverzuim, waaraan de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft betwist dat hij een financieel voordeel heeft behaald bij de koop van een auto van een leverancier van de [naam werkgever] via een tussenpersoon. Tijdens het gesprek met [B.V.] op 18 september 2013 heeft appellant evenwel verklaard dat hij door deze constructie een voordeel van ongeveer € 1.000,- of € 1.500,- heeft verkregen. De Raad ziet geen aanleiding om niet uit te gaan van de juistheid van deze verklaring. Appellant heeft gedetailleerd verklaard over de gang van zaken en de bedragen die met de koop waren gemoeid en heeft deze verklaring ondertekend. Appellant wordt niet gevolgd in zijn betoog dat geen betekenis mag worden gehecht aan zijn verklaring, omdat hij deze onder ontoelaatbare druk van [B.V.] heeft afgelegd en [B.V.] hem woorden in de mond heeft gelegd. Het is voorstelbaar dat appellant enige druk heeft ervaren, maar niet is gebleken dat hij zijn verklaring niet in vrijheid dan wel onder ontoelaatbare druk heeft afgelegd. Hierbij is van belang dat appellant tijdens het gesprek niet kenbaar heeft gemaakt dat hij zich onder druk gezet voelde.

4.2.

Voorts heeft appellant betwist dat hij nevenwerkzaamheden heeft verricht voor de massagesalon. Hij stelt geen zakelijke betrokkenheid te hebben gehad bij de massagesalon. Ook dit betoog slaagt niet. Tijdens het gesprek met [B.V.] heeft appellant namelijk verklaard dat hij de administratie van de massagesalon heeft bijgehouden, roosters heeft gemaakt en contact heeft onderhouden met het administratiekantoor. Deze werkzaamheden zijn terecht aangemerkt als nevenwerkzaamheden als bedoeld in de ARU.

4.3.

Appellant heeft niet betwist dat hij de overige verweten gedragingen heeft begaan. Met de rechtbank en op grond van de overwegingen die daaraan ten grondslag zijn gelegd is Raad van oordeel dat die gedragingen terecht zijn aangemerkt als plichtsverzuim. De Raad voegt daar nog het volgende aan toe. Dat een van de aannemers appellant uit puur vriendschappelijke en collegiale overwegingen geld heeft geleend, zoals appellant onder verwijzing naar het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 oktober 2015, 200.166.760, heeft betoogd, laat onverlet dat appellant door het aanvaarden van een geldlening van een zakenrelatie ten minste de schijn heeft gewekt van belangenverstrengeling. Dit is terecht aangemerkt als plichtsverzuim. Voornoemd arrest is in dit verband niet van belang, omdat het geen betrekking heeft op de integriteit van appellant als ambtenaar maar op de vraag of de aannemer terecht van aanbestedingsprocedures was uitgesloten vanwege een ernstige beroepsfout. Evenmin is van belang dat niet is gebleken dat appellant daadwerkelijk aannemers heeft bevoordeeld: de schijn van belangenverstrengeling moet worden vermeden.

4.4.

Door de verweten gedragingen heeft appellant de schijn van belangenverstrengeling gewekt en zich daardoor in een kwetsbare en chantabele positie gebracht, alsmede de integriteit en de goede naam van de gemeente geschaad. Appellant heeft het in hem gestelde vertrouwen ernstig geschonden. Nu sprake is van toerekenbaar plichtsverzuim was het college bevoegd om een disciplinaire maatregel op te leggen.

4.5.

De disciplinaire maatregel van onvoorwaardelijk ontslag acht de Raad niet onevenredig aan de ernst van het plichtsverzuim. Hierbij heeft het college mogen betrekken dat appellant reeds in 2010 is verzocht om een goede scheiding aan te brengen in de zakelijke en informele omgang met aannemers. Verder doen het langdurige dienstverband van appellant en de persoonlijke gevolgen van het gegeven ontslag niet af aan de ernst van het plichtsverzuim. Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. De Raad verwijst hiervoor naar wat de rechtbank heeft overwogen onder 15.

4.6.

Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet en moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma als voorzitter en B.J. van de Griend en

J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2016.

(getekend) J.N.A. Bootsma

(getekend) A. Mansourova

HD