Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1342

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-04-2016
Datum publicatie
14-04-2016
Zaaknummer
13/5028 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten onrechte ouderdomspensioen vastgesteld naar 50% van het nettominimumloon. Onvoldoende onderbouwd dat appellant in Colombia (en niet op Curaçao) woonde. Nu de Svb in hoger beroep de gelegenheid om nader onderzoek te doen naar de woonplaats van appellant onbenut heeft gelaten, voorziet de Raad zelf. De Raad bepaalt dat appellant aanspraak heeft op een ouderdomspensioen waarvan de grondslag is gebaseerd op 70% van het netto-minimumloon. Afwijzing verzoek vergoeding van immateriële schade. Geen sprake geestelijk letsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/5028 AOW

Datum uitspraak: 8 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

30 juli 2013, 12/5631 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] , Curaçao (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2015. Appellant is, met bericht, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sturmans.

Het onderzoek is heropend na de zitting. Partijen hebben vervolgens antwoord gegeven op vragen van de Raad.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is geboren op [geboortedag] 1946 op Curaçao . Hij heeft van 16 juni 1965 tot

4 december 1984 in Nederland gewoond en gewerkt, waarna hij is teruggekeerd naar Curaçao . In oktober 2011, herhaald in december 2011, heeft appellant een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) aangevraagd. In afwachting van het onderzoek naar zijn woonplaats, heeft de Svb bij besluit van 2 december 2011 een voorlopig AOW-pensioen toegekend. Appellant heeft vervolgens op het formulier “Onderzoek Verblijf Buitenland” een aantal vragen van de Svb beantwoord en onder meer afschriften van pagina’s uit zijn paspoort ingezonden. Bij besluit van 12 juni 2012 heeft de Svb aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 1 september 2011 recht heeft op een ouderdomspensioen, gebaseerd op 20 verzekerde jaren, naar de norm van een alleenstaande, te weten 50% van het nettominimumloon, omdat uit onderzoek is gebleken dat hij in Colombia woont, een land waarvoor de Wet beperking export uitkeringen (Wet BEU) gevolgen heeft. Appellant heeft tegen het besluit van 12 juni 2012 bezwaar gemaakt.

1.2.

Bij besluit van 21 september 2012 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 12 juni 2012 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat appellant per

1 september 2011 in Colombia woont en niet op Curaçao .

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat de Svb terecht heeft vastgesteld dat appellant in Colombia woont.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij op Curaçao woont en slechts om medische redenen steeds tijdelijk in Colombia moest verblijven.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 9a van de AOW kent voor de hoogte van het ouderdomspensioen een van artikel 9 afwijkende regeling voor personen die niet in Nederland wonen. Op grond van het eerste lid van dit artikel heeft de ongehuwde pensioengerechtigde die buiten Nederland woont, geen aanspraak op de grondslag van 70%, maar geldt de grondslag van 50% van het

netto-minimumloon (de grondslag voor een ongehuwde pensioengerechtigde), tenzij - kort samengevat - de betrokkene woont in een land waar hij op grond van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op (een volledige) uitkering heeft.

4.2.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant in Colombia woonachtig was. Mocht dit oordeel juist zijn, dan heeft appellant aanspraak op een ouderdomspensioen ter hoogte van 50% van het netto-minimumloon. Mocht appellant gevolgd worden in zijn stelling dat hij op Curaçao woonde, dan heeft hij op grond van artikel 11, tweede lid, van het Besluit regels export uitkeringen aanspraak op de grondslag van 70%.

4.3.

In zijn arresten van 21 januari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP1466) en 4 maart 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP6285) heeft de Hoge Raad in herinnering geroepen dat om te bepalen waar iemand woont, acht moet worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt er op aan of deze omstandigheden van dien aard zijn dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en het betrokken land.

4.4.

De Svb heeft zijn oordeel dat appellant in Colombia woont, gebaseerd op een telefoongesprek dat met een bewoonster van het door appellant opgegeven adres op Curaçao is gevoerd en op gegevens die door appellant zelf middels zijn AOW-aanvragen en het formulier “Onderzoek Verblijf Buitenland” zijn aangedragen. Op zijn eerste AOW-aanvraag heeft appellant zowel Curaçao als Colombia als woonplaats opgegeven. Daarbij is een levensbewijs, gevalideerd door de [Svb uit woonland 1] , meegezonden. Vervolgens heeft appellant in zijn tweede AOW-aanvraag uitsluitend Curaçao als woonplaats opgegeven, daarbij een levensbewijs, gevalideerd door de Colombiaanse autoriteiten, meegezonden en een tijdelijke Colombiaanse verblijfsvergunning. Een bewoonster van het door appellant opgegeven adres heeft telefonisch verklaard dat appellant voor vakantie op Curaçao was om zijn

AOW-aanvraag in te dienen en weer terug is gekeerd naar Colombia . Op het formulier “Onderzoek Verblijf Buitenland” heeft appellant te kennen gegeven ongeveer 7 maanden per jaar op Curaçao te verblijven, daar in te wonen bij zijn zus en een ouderdomspensioen van de [Svb uit woonland 1] en een bedrijfspensioen te ontvangen. Vanaf 25 februari 2008 verblijft appellant tevens onder meer om medische redenen geregeld in Colombia op basis van een doorlopend visum. Aldaar beschikt hij over zelfstandige woonruimte en gedurende dat verblijf onderhoudt appellant zeer regelmatig contact met bekenden op Curaçao . De Svb heeft uit de paspoortpagina’s van appellant geconcludeerd dat appellant vanaf 1 september 2011 slechts zeer korte periodes buiten Colombia verbleef.

4.5.

De Raad heeft de Svb gevraagd om nadere gegevens aan te dragen ter onderbouwing van het standpunt dat appellant vanaf september 2011 niet op Curaçao maar in Colombia woonachtig was. Er is verzocht om gegevens over de verblijfsduur van appellant in beide woonplaatsen te verstrekken en om meer informatie over (het verblijf van appellant in) de woning op Curaçao . Appellant is verzocht om informatie te geven over onder meer zijn woning in Colombia . De Svb heeft vervolgens leesbare kopieën van de paspoortpagina’s ingezonden en verwezen naar reeds in het dossier aanwezige gegevens die kunnen duiden op Colombia als woonplaats. Nadere informatie over de woning op Curaçao heeft de Svb niet kunnen geven. Appellant heeft zijn standpunt herhaald dat hij niet in Colombia woont.

4.6.

De Raad is van oordeel dat de Svb met het verrichte onderzoek en de daaruit verkregen gegevens onvoldoende heeft onderbouwd dat appellant op en na 1 september 2011 in Colombia (en niet op Curaçao ) woonde. Hierbij wordt van belang geacht dat niet betwist is dat appellant geboren en getogen is op Curaçao , aldaar zijn bestaan heeft opgebouwd en met uitzondering van de periode dat hij in Nederland heeft gewoond, vele jaren op Curaçao woonachtig is geweest. Vanaf begin 2008 verbleef appellant gedurende langere periodes tijdelijk in Colombia . Naar appellant stelt, en in enige mate heeft onderbouwd, was dit verblijf ingegeven door het ondergaan van medische behandelingen, hetgeen niet wordt betwist door de Svb. Afgezien hiervan is niets bekend over de band die appellant met Colombia zou hebben, terwijl evident is dat appellant een (sterke) band met Curaçao heeft (gehad). Onder deze omstandigheden lag het op de weg van de Svb om nader onderzoek te doen naar de vraag of de band met Curaçao met ingang van 1 september 2011 was verbroken. In het bijzonder had een huisbezoek op Curaçao meer specifieke informatie kunnen opleveren over de woonsituatie van appellant. De Svb heeft dit echter nagelaten. Daardoor is niet duidelijk geworden of appellant altijd al inwoonde bij zijn zus, of hij daar een eigen kamer had en wat zijn overige leefomstandigheden waren. Dit wordt in de gegeven omstandigheden van belang geacht. Aan de enkele omstandigheid dat appellant geregeld in Colombia verbleef, kan niet het gewicht worden toegekend dat de Svb daaraan toekent. Het feitelijk verblijf in een bepaald land geeft weliswaar een indicatie over de woonplaats, maar in dit geval is er behoudens hetgeen appellant daarover onbestreden heeft gesteld, niets bekend over de omstandigheden waaronder appellant in Colombia verbleef. De conclusie van de Svb dat op 1 september 2011 geen sprake was van een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen appellant en Curaçao wordt dan ook niet gevolgd.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond moet worden verklaard en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. Nu de Svb in hoger beroep de gelegenheid om nader onderzoek te doen naar de woonplaats van appellant onbenut heeft gelaten, wordt aanleiding gezien om zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 12 juni 2012 te herroepen en te bepalen dat appellant per 1 september 2011 aanspraak heeft op een ouderdomspensioen waarvan de grondslag is gebaseerd op 70% van het netto-minimumloon.

4.8.

Appellant heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade. Appellant heeft echter niet aannemelijk gemaakt, dat ten gevolge van de besluitvorming van de Svb sprake is geweest van als aantasting van appellants persoon aan te merken geestelijk letsel waaraan appellant aanspraak op vergoeding van immateriële schade kan ontlenen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, omdat niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 21 september 2012;

  • -

    herroept het besluit van 12 juni 2012 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 21 september 2012;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

  • -

    bepaalt dat de Svb aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 160,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en

E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2016.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) N. van Rooijen

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip woonplaats.

JL