Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1341

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-04-2016
Datum publicatie
14-04-2016
Zaaknummer
15/1362 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening studiefinanciering van norm voor uitwonende studerende naar norm voor thuiswonende studerende. Niet woonachtig op gba-adres. Terugvordering. Dat de aan de herziening verleende terugwerkende kracht onvoldoende is onderbouwd, miskent de werking van het in artikel 9.9 van de Wsf 2000 neergelegde wettelijk vermoeden. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad ECLI:NL:CRVB:2014:1146. Van een situatie dat niet onverkort aan dit wettelijk vermoeden kan worden vastgehouden is niet gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1362 WSF

Datum uitspraak: 13 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 januari 2015, 14/5816 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [appellante] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. Ö. Arslan, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2016. Appellante is niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter.

OVERWEGINGEN

1.1.

De minister heeft, voor zover hier van belang, voor de jaren 2012 en 2013 aan appellante studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend, berekend naar de norm voor een uitwonende studerende. Appellante staat vanaf 14 september 2010 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (gba), thans basisregistratie personen, ingeschreven onder het [adres] te [woonplaats]. Onder dit adres staan ook ingeschreven een oom (hoofdbewoner) en tante (hoofdbewoonster) van appellante en hun zoon.

1.2.

Op 2 december 2013 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellante. Daartoe is een huisbezoek afgelegd op het

gba-adres van appellante om te controleren of zij op dit adres woont. In de desbetreffende woning is, in het bijzijn van de hoofdbewoners, onderzoek gedaan en is een verklaring van de hoofdbewoner opgenomen. Van het onderzoek is op 3 december 2013 een rapport opgemaakt. Daarbij is een door de hoofdbewoner ondertekende verklaring gevoegd. In het rapport is - onder meer - het volgende vermeld. In de als kamer van appellante getoonde kamer staat een eenpersoonsbed met een dekbedovertrek van Spiderman en een bureau beplakt met stickers van dinosauriërs. Op het bureau liggen controllers voor een Playstation, een speeltje van een Happy Meal van McDonalds en actiefilms. Verder staat in die kamer een kledingkast met veel jongenskleding en enkele stukken dameskleding, die volgens de hoofdbewoner van appellante zijn. De hoofdbewoners weten niet waar appellante haar overige kleding, haar jassen en haar schoenen bewaart. Voorts weten zij niet of appellante een laptop heeft en waar haar studieboeken zijn. Volgens de hoofdbewoners gooit appellante de meeste post weg. De hoofdbewoonster heeft een tandenborstel van appellante getoond en verklaard dat shampoo en douchegel voor gezamenlijk gebruik zijn. De hoofdbewoner heeft verder verklaard dat zijn zoontje bij de hoofdbewoonster in het tweepersoonsbed slaapt en dat hij op de bank slaapt, omdat hij in verband met zijn werk vaak laat thuiskomt.

1.3.

Bij besluit van 24 december 2013 heeft de minister op basis van het onder 1.2 weergegeven rapport de vanaf 1 januari 2012 aan appellante toegekende studiefinanciering herzien, in die zin dat appellante vanaf die datum als thuiswonende studerende is aangemerkt. Het aan appellante over de periode van januari 2012 tot en met december 2013 te veel betaalde bedrag van € 4.355,67 is daarbij van haar teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 27 mei 2014 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 24 december 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister met de bevindingen van het huisbezoek aannemelijk heeft gemaakt dat appellante feitelijk niet op het gba-adres woonde. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover van belang, overwogen dat in de woning waar appellante reeds drie jaar ingeschreven staat, behalve (mogelijk) enkele kledingstukken en toiletartikelen, geen tot appellante herleidbare spullen zijn aangetroffen. Appellante is er niet in geslaagd de onjuistheid van het standpunt van de minister met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken. Hierbij heeft de rechtbank van belang geacht dat appellante en de hoofdbewoner verschillende verklaringen hebben afgelegd over de slaapplaats van appellante. Dat de hoofdbewoner wegens zijn werkzaamheden pas diep in de nacht thuiskomt en daardoor niet weet waar iedereen slaapt, acht de rechtbank ongeloofwaardig.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hierbij heeft zij zich wederom op het standpunt gesteld dat zij vanaf 14 september 2010 feitelijk op het gba-adres woont. Daarnaast heeft appellante gesteld dat het onredelijk is om de aan haar toegekende studiefinanciering vanaf januari 2012 te herzien en dat het besluit waarin dat is bepaald onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd is. Het ligt volgens appellante eerder in de rede om de toegekende studiefinanciering te herzien vanaf januari 2013.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Voor het toepasselijke toetsingskader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

4.2.

Nu een herziening als hier aan de orde een belastend besluit is, moet de minister aannemelijk maken dat appellante niet heeft voldaan aan de voorwaarden die in artikel 1.5 van de Wsf 2000 zijn gesteld. De minister heeft aan deze bewijslast voldaan.

4.3.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de minister zijn conclusie dat appellante niet woonde op het gba-adres heeft kunnen baseren op de bevindingen van het huisbezoek zoals neergelegd in het rapport van 3 december 2013. In het bijzonder wordt er daarbij op gewezen dat op de als kamer van appellante getoonde kamer, behalve (mogelijk) enkele kledingstukken, geen tot appellante herleidbare zaken zijn aangetroffen. Op die kamer zijn wel spullen van het zoontje van de hoofdbewoners aangetroffen. Waar appellante stelt dat zij ten tijde van de controle reeds ruim drie jaar op het gba-adres woont, valt redelijkerwijs te verwachten dat zich daar specifiek tot appellante te herleiden zaken bevinden waaruit kan worden afgeleid dat zij daar woont.

4.4.

De stelling van appellante dat de aan de herziening verleende terugwerkende kracht tot

1 januari 2012 onvoldoende is onderbouwd miskent de werking van het in artikel 9.9 van de Wsf 2000 neergelegde wettelijk vermoeden. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 2 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1146. Van een situatie dat niet onverkort aan dit wettelijk vermoeden kan worden vastgehouden is niet gebleken. Van onredelijke besluitvorming als door appellante gesteld is dan ook geen sprake.

4.5.

Wat is overwogen in 4.2 tot en met 4.4 betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaan geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van J.C. Borman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 april 2016.

(getekend) J. Brand

(getekend) J.C. Borman

UM