Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1335

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-04-2016
Datum publicatie
14-04-2016
Zaaknummer
15/678 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Geschikt voor ten minste één van de in het kader van de WIA-beoordeling voorgehouden functies. Voldoende medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0358
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/678 ZW

Datum uitspraak: 13 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

10 december 2014, 14/4874 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2016. Appellant en zijn gemachtigde zijn, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als inpakker voor 24-40 uur per week toen hij zich op

16 januari 2012 ziek meldde. Het Uwv heeft vastgesteld dat appellant na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 13 januari 2014 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellant werd met zijn beperkingen in staat geacht functies als transportplanner, medewerker bevrachting, studie- en beroepskeuzeadviseur en schadecorrespondent te vervullen. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van

31 maart 2014 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 2 februari 2016 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 31 maart 2014 ongegrond verklaard. Appellant heeft zich op

5 maart 2014 ziek gemeld wegens rugklachten, klachten aan zijn elleboog en psychische klachten. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de WW.

1.2.

Op 21 mei 2014 heeft hij het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant per 5 maart 2014 geschikt geacht voor tenminste één van de functies die in het kader van de WIA-beoordeling zijn geduid. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 21 mei 2014 vastgesteld dat appellant per 5 maart 2014 geen recht heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 1 juli 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 27 juni 2014 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep kennis heeft genomen van de dossiergegevens en appellant tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase heeft gezien. De verzekeringsarts bezwaar en beroep betrekt hierbij het gegeven dat appellant op de in geding zijnde datum niet onder behandeling was van een psycholoog of psychiater. Bij afwezigheid van ernstige, geobjectiveerde psychische problematiek acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant in staat om tenminste één van de geduide functies te vervullen. In wat appellant in beroep heeft aangevoerd ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om te concluderen dat de belastbaarheid niet juist is vastgesteld, dan wel dat er verdergaande beperkingen hadden moeten worden aangenomen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant herhaald dat zijn psychische beperkingen zijn onderschat. Hij is onder behandeling van een psychiater en heeft medicatie voorgeschreven gekregen. Bij schrijven van 10 april 2015 heeft appellant een kopie van een recept voor Citalopram en een beschrijving van dit medicijn in geding gebracht.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die aan hem zijn voorgehouden bij de laatste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.

4.2.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat geen aanleiding bestaat het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt in twijfel te trekken. De klachten van appellant waren bij de verzekeringsartsen bekend en zijn meegewogen bij de beoordeling.

4.3.

Zoals in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 27 juni 2014 uiteen is gezet is appellant, met zijn klachten en beperkingen, in staat om op 5 maart 2014 de maatgevende arbeid te verrichten. Met alle geobjectiveerde klachten is op overtuigende wijze rekening gehouden. De stelling van appellant dat hij sinds april 2015 onder behandeling is van een psychiater en medicatie (Citalopram 20 mg) voorgeschreven heeft gekregen werpt geen ander licht op de zaak. Deze gegevens dateren ruim een jaar na de datum in geding en geven geen ander beeld van de situatie op de datum in geding.

5. De overwegingen in 4.2 en 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet als voorzitter, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

13 april 2016.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) J.W.L. van der Loo

TM