Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1334

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-04-2016
Datum publicatie
14-04-2016
Zaaknummer
14/6088 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Fictieve opzegtermijn. Ingangsdatum WW-uitkering. Schadevergoeding als loon over de opzegtermijn aanmerken. Het Uwv heeft op juiste gronden de termijn die werkgever bij opzegging van de arbeidsovereenkomst in acht had moeten nemen, heeft vastgesteld op vier maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0352
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6088 WW

Datum uitspraak: 13 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

26 september 2014, 14/2841 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.H. Burger, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad heeft appellant een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2016. Namens appellant zijn

mr. Burger en [naam] , werkzaam bij de [NV 1] , verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is vanaf 1 oktober 1978 werkzaam geweest bij (de rechtsvoorganger van) [bedrijf] . Met ingang van 1 september 2011 is hij - als gevolg van overgang van onderneming - in dienst gekomen van [NV 2] . Appellant is met gebruikmaking van een terugkeeroptie met ingang van 1 september 2013 wederom in dienst getreden bij [bedrijf] . In de arbeidsovereenkomst is vermeld: “Voor wat betreft de toepasselijkheid van arbeidsvoorwaarden waarbij de duur van het dienstverband bepalend is, wordt het dienstverband geacht te zijn ingegaan op 1 oktober 1978”.

1.2.

[bedrijf] en appellant hebben op 23 december 2013 een beëindigingsovereenkomst gesloten. Hierin is onder meer bepaald dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden uiterlijk per 30 december 2013 zal eindigen en dat [bedrijf] appellant een beëindigingsvergoeding betaalt van € 109.188,-.

1.3.

Appellant heeft op 29 december 2013 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Bij besluit van 10 januari 2014 heeft het Uwv appellant tot en met

30 april 2014 een uitkering op grond van de WW ontzegd. Daartoe heeft het Uwv gesteld dat, als [bedrijf] het dienstverband had opgezegd, er tot en met die datum een opzegtermijn zou hebben gegolden. De schadevergoeding die appellant heeft ontvangen, moet worden beschouwd als loon over de opzegtermijn. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 10 januari 2014, omdat hij van mening is dat de ingangsdatum van de WW-uitkering

1 februari 2014 moet zijn.

1.4.

Bij besluit van 26 maart 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en het besluit van 10 januari 2014 gehandhaafd. Daartoe heeft het Uwv gesteld dat voor de vaststelling van de wettelijk geldende opzegtermijn bepalend is dat volgens de vanaf 1 september 2013 geldende arbeidsovereenkomst voor wat betreft de toepasselijkheid van arbeidsvoorwaarden waarbij de duur van het dienstverband bepalend is, het dienstverband wordt geacht te zijn ingegaan op 1 oktober 1978. Op basis hiervan heeft appellant op 30 december 2013 35 dienstjaren, zodat voor hem een wettelijke opzegtermijn van vier maanden geldt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 21 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR2157 - overwogen dat sinds de invoering van de Wet Flexibiliteit en zekerheid het systeem van berekening van de opzegtermijn is gewijzigd in die zin dat artikel 7:672 van het Burgerlijk Wetboek (BW) uitgaat van de duur van de arbeidsovereenkomst op de dag van opzegging en dat elke arbeidsovereenkomst afzonderlijk moet worden bezien. Dit betekent dat voor de berekening van de ten aanzien van appellant geldende opzegtermijn in beginsel alleen uitgegaan moet worden van de duur van zijn arbeidsovereenkomst met de laatste werkgever. Dit is slechts anders indien de individuele arbeidsovereenkomst of de collectieve arbeidsovereenkomst (cao) een basis zou bieden om (voor wat betreft de opzegtermijn) de duur van eerdere arbeidsovereenkomsten mee te tellen. Wat in de arbeidsovereenkomst is vermeld, biedt volgens de rechtbank in het geval van appellant een grondslag om voor de berekening van de opzegtermijn de eerdere arbeidsovereenkomst mee te tellen. In de arbeidsovereenkomst is immers uiteengezet dat de dienstjaren bij [NV 2] als dienstjaren bij [bedrijf] worden beschouwd. Vervolgens is tussen appellant en [bedrijf] overeengekomen dat voor wat betreft de toepasselijkheid van arbeidsvoorwaarden waarbij de duur van het dienstverband bepalend is, het dienstverband geacht wordt te zijn ingegaan op 1 oktober 1978. Nu de opzegtermijn bij uitstek een arbeidsvoorwaarde is waarbij de duur van het dienstverband bepalend is en partijen deze voorwaarde expliciet in de arbeidsovereenkomst hebben opgenomen, dient voor de berekening van de opzegtermijn niet uitgegaan te worden van het dienstverband lopend vanaf 1 september 2013, maar dient - zoals overeengekomen in de arbeidsovereenkomst - ook de eerdere arbeidsovereenkomst in aanmerking te worden genomen. Nu de toegekende beëindigingsvergoeding het loon van vier maanden dekt, had het Uwv geen aanleiding hoeven zien niet van een (fictieve) opzegtermijn van vier maanden uit te gaan. Ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft de rechtbank - onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 6 mei 1997, ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6834 - overwogen dat het gelijkheidsbeginsel niet zo ver strekt dat het Uwv gehouden is een in het verleden gemaakte fout te herhalen. Los van de vraag of sprake is van vergelijkbare gevallen, maakt de enkele omstandigheid dat een andere ex-werknemer van [bedrijf] ten onrechte na één maand opzegtermijn een WW-uitkering heeft gekregen, niet dat het Uwv hiertoe ook bij appellant is gehouden.

3. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat voor de bepaling van de fictieve opzegtermijn slechts rekening mag worden gehouden met de duur van de laatste met [bedrijf] gesloten arbeidsovereenkomst, zijnde vier maanden. Het feit dat in de arbeidsovereenkomst de bepaling is opgenomen dat voor wat de toepasselijkheid van arbeidsvoorwaarden waarbij de duur van het dienstverband bepalend is, het dienstverband wordt geacht te zijn ingegaan op 1 oktober 1978, maakt dit niet anders omdat de opzegtermijn niet behoort tot de arbeidsvoorwaarden. Appellant heeft er in dat verband op gewezen dat de duur van de opzegtermijn tussen appellant en [bedrijf] niet arbeidsvoorwaardelijk is geregeld, aangezien noch in de cao, noch in zijn arbeidsovereenkomst iets is bepaald over de duur van de opzegtermijn. Uit arbitrale vonnissen blijkt volgens appellant ook dat de bepalingen in de ISP-CAO, die regelingen bevat bij de overgang van “werk naar werk”, beperkt moeten worden uitgelegd. Met het geregelde in de ISP-CAO wordt een limitatieve opsomming gegeven van de arbeidsvoorwaarden die van toepassing zijn in aanvulling op de voorwaarden die gelden voor een nieuw in dienst tredende werknemer. Ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft appellant naar voren gebracht dat de omstandigheid dat het Uwv bij de ex-collega van appellant wel een opzegtermijn van één maand heeft gehanteerd geen fout betreft, maar dat het Uwv juist in heroverweging zijn eerdere beslissing heeft gecorrigeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is uitsluitend of het Uwv op juiste gronden de termijn die door [bedrijf] bij opzegging van de arbeidsovereenkomst in acht had moeten nemen heeft vastgesteld op vier maanden.

4.2.1.

Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, zoals weergegeven onder 2, worden onderschreven. Daaraan wordt toegevoegd dat het Uwv terecht heeft gesteld dat de term “arbeidsvoorwaarden” betrekking heeft op alle afspraken met betrekking tot het aangaan, het voortduren en het eindigen van de arbeidsovereenkomst. In wat appellant heeft betoogd, wordt geen aanleiding gezien om onderscheid te maken tussen uit de wet voortvloeiende arbeidsrechtelijke aanspraken en verplichtingen en wat een werkgever en werknemer contractueel zijn overeengekomen. Dit betekent dat, zoals de rechtbank al heeft overwogen, bij de vaststelling van de fictieve opzegtermijn ervan moet worden uitgegaan dat de dienstbetrekking is ingegaan per 1 oktober 1978. Het eerst ter zitting door appellant ingenomen standpunt dat de in 1.1 weergegeven bepaling in de arbeidsovereenkomst nietig is omdat deze in strijd is met de ISP-CAO, wordt niet gevolgd. Nog los van de vraag of uit de bewoordingen van de ISP-CAO, zoals deze destijds luidde, volgt dat het gaat om een standaard-cao, wordt vastgesteld dat de ISP-CAO geen bepalingen kent over de opzegtermijn, de anciënniteitsdatum of arbeidsvoorwaarden waarbij die datum van belang is. De in de arbeidsovereenkomst met appellant overeengekomen bepaling is dan ook niet in strijd met de ISP-CAO en dus ook niet nietig. De opvatting van de [bedrijf] geschillencommissie over de uitleg van bepalingen in de ISP-CAO waarnaar appellant heeft verwezen heeft geen betrekking op het onderhavige geschil over de opzegtermijn en is daarom niet van betekenis.

4.2.2.

Ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel voegt de Raad aan de overwegingen van de rechtbank toe dat het enkele feit dat in het geval van de ex-collega van appellant pas na heroverweging in bezwaar een foutief besluit is genomen, niet wegneemt dat het gelijkheidsbeginsel niet zo ver gaat dat het Uwv gehouden is om een (incidenteel) gemaakte fout te herhalen.

4.3.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 april 2016.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) B. Dogan

MO