Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1325

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-04-2016
Datum publicatie
14-04-2016
Zaaknummer
14/4234 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft dienstverband met ex-werkgever opgezegd, terwijl er geen reëel vooruitzicht bestond op een dienstverband met een nieuwe werkgever van ten minste 26 weken. Verwijtbaar.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2016/195 met annotatie van G.C. Boot
SZR-Updates.nl 2016-0353
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4234 WW

Datum uitspraak: 13 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

18 juni 2014, 13/4452 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.M.G. de Wit hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Wit. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

E.C. van der Meer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 1 januari 2009 in dienst van (de rechtsvoorganger van) [ex-werkgever] ( [ex-werkgever] ). Op 22 maart 2013 is tussen appellant en [ex-werkgever] een beëindigingsovereenkomst gesloten waarbij het dienstverband met ingang van

1 november 2013 werd beëindigd en waarbij appellant met ingang van 1 maart 2013 tot het einde van het dienstverband buitengewoon verlof met behoud van salaris werd verleend.

1.2.

In de beëindigingsovereenkomst was de mogelijkheid opgenomen dat appellant eerder ontslag zou nemen, in welk geval hem een financiële vergoeding zou worden verstrekt. Hoe eerder hij van die mogelijkheid gebruik zou maken, hoe hoger die vergoeding zou zijn. Appellant heeft, onder verwijzing naar dat onderdeel van de beëindigingsovereenkomst, bij brief van 30 april 2013 [ex-werkgever] verzocht het dienstverband te beëindigen per die datum. Appellant heeft daarbij vermeld dat hij per 1 mei 2013 een nieuwe arbeidsovereenkomst had aanvaard.

2. Op 7 mei 2013 heeft appellant een aanvraag gedaan om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 30 mei 2013 heeft het Uwv de WW-uitkering ontzegd omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden.

3. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 30 mei 2013. Bij beslissing op bezwaar van 27 september 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft onder meer overwogen dat appellant zijn dienstverband met [ex-werkgever] heeft opgezegd, terwijl er geen reëel vooruitzicht bestond op een dienstverband met een nieuwe werkgever van ten minste 26 weken. Daarbij heeft het Uwv erop gewezen dat appellant zijn dienstverband op 30 april 2013 heeft opgezegd, nog voordat hij daadwerkelijk een arbeidsovereenkomst met [naam] had getekend.

4. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard.

5.1.

In hoger beroep heeft appellant bestreden dat geen sprake was van een reëel vooruitzicht op een baan voor 26 weken op 30 april 2014. Appellant heeft erop gewezen dat het voor hem duidelijk was wat de werkzaamheden in zijn nieuwe baan zouden inhouden. Zijn feitelijk werkgever zou [naam] zijn en daarmee had hij ook een arbeidsovereenkomst gesloten. Dat hij via een payrollonderneming zou worden betaald is volgens appellant niet relevant.

5.2.

Het Uwv heeft er in zijn verweerschrift op gewezen dat appellant op het moment waarop hij aan [ex-werkgever] te kennen heeft gegeven dat hij zijn dienstverband per 30 april 2013 wilde beëindigen nog geen arbeidsovereenkomst met [naam] had getekend. Ook was er volgens het Uwv op dat moment geen reëel uitzicht op een nieuw dienstverband dat ten minste 26 weken zou duren.

6. De Raad komt tot de volgende beoordeling

6.1.

Voor de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen wordt verwezen naar de onderdelen 6.1 en 6.2 van de aangevallen uitspraak.

6.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat 1 mei 2013 de eerste werkloosheidsdag is. Evenmin is in geschil dat het dienstverband tussen appellant en [ex-werkgever] op verzoek van appellant met ingang van 30 april 2013 is geëindigd. Appellant heeft geen gronden aangevoerd waaruit volgt dat voortzetting van het dienstverband met [ex-werkgever] na 30 april 2013 redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. Aldus is appellant op 1 mei 2013 verwijtbaar werkloos geworden.

6.3.1.

Op 6 mei 2013 heeft appellant met [naam] een als “Arbeidsovereenkomst” aangeduide overeenkomst gesloten die, volgens dat contract, inging op 1 mei 2013. Volgens datzelfde contract zou appellant op 13 mei 2013 een aanvang maken met de werkzaamheden die, naar zeggen van appellant, de opzet van een projectplan voor de bouw van een afvalverwerkingsbedrijf in Irak zouden behelzen. Op 7 mei 2013 zou [naam] , onder toepassing van een proeftijdbeding, de overeenkomst telefonisch hebben beëindigd.

6.3.2.

Dat appellant aan de besprekingen met [naam] enige zekerheid kon ontlenen dat hij een arbeidsovereenkomst voor een langere periode zou aangaan, is niet gebleken. Niet duidelijk is wanneer die besprekingen hebben plaatsgevonden en wat daarbij aan de orde is geweest. Toen hij op 30 april 2013 zijn dienstverband met [ex-werkgever] beëindigde, was in ieder geval nog niet duidelijk dat hij op 6 mei 2013 een arbeidsovereenkomst zou sluiten. Niet is gebleken dat door [naam] voor 30 april 2013 al duidelijke, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan, terwijl ook de juridische basis waarop appellant zijn werkzaamheden zou gaan verrichten niet duidelijk is geworden. Dat appellant, zoals hij ter zitting heeft toegelicht, “een goed gevoel” bij de besprekingen met [naam] had, is onvoldoende om die zekerheid aan te ontlenen. Wat de aard is van het met [naam] gesloten contract kan gelet op het voorgaande in het midden blijven, omdat een reëel vooruitzicht ten tijde van de ontslagname op werk gedurende ten minste 26 weken bij

[naam] niet is komen vast te staan.

6.3.3.

In de gegeven omstandigheden kan niet worden gezegd dat appellant geen of niet in overwegende mate een verwijt kan worden gemaakt van het niet nakomen van zijn verplichtingen om verwijtbare werkloosheid te voorkomen.

6.4.

Gelet op het overwogene onder 6.2 tot en met 6.3.3 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

7. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 april 2016.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) B. Dogan

AP