Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1323

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-04-2016
Datum publicatie
13-04-2016
Zaaknummer
14/5816 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Boete opgelegd naar hoogte van benadelingsbedrag dat gevolg is van niet melden werkzaamheden. Boetebesluit zoals dat luidde vóór 1 januari 2013 en daarna. Strafdreiging verhoogd na het plegen van het feit, straftoemeting gemaximeerd. Geen verminderde verwijtbaarheid omdat ingangsdatum van werkzaamheden op het wijzigingsformulier bewust onjuist is vermeld. Boete bestreden besluit 2 juist vastgesteld. Betrokkene niet tekort gedaan. Voor matiging geen aanleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0350
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5816 WW en 15/2654 WW

Datum uitspraak: 6 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

24 september 2014, 13/7543 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een gewijzigd besluit genomen en verzocht dit in de procedure te betrekken.

Betrokkene heeft een reactie op dit besluit ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2016. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael. Betrokkene is verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene ontving een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), die met ingang van 2 juli 2012 werd beëindigd omdat hij was gaan werken bij Senator International GmbH. Nadat hij op 28 september 2012 bij dit bedrijf was ontslagen, heeft betrokkene op

1 oktober 2012 een aanvraag om herleving van de WW-uitkering gedaan. Bij besluit van

5 november 2012 heeft appellant de WW-uitkering met ingang van 1 november 2012 voortgezet.

1.2.

Op 10 december 2012 is betrokkene voor 38,75 uur per week gaan werken voor [werkgever] ([werkgever]). Bij wijzigingsformulier van 5 maart 2013 heeft betrokkene aan appellant meegedeeld dat hij vanaf 1 februari 2013 volledig aan het werk is gegaan bij dit bedrijf.

1.3.

Nadat appellant informatie bij [werkgever] heeft ingewonnen, heeft hij bij brief van 21 juni 2013 aan betrokkene het voornemen meegedeeld om de WW-uitkering over de periode van 10 december 2012 tot en met 24 februari 2013 terug te vorderen en een boete op te leggen, omdat betrokkene niet heeft doorgegeven dat hij per 10 december 2012 volledig werkzaam was. Op 10 juli 2013 is betrokkene over dit voornemen gehoord.

1.4.

Bij besluit van 11 juli 2013 heeft appellant de WW-uitkering over de periode van

10 december 2012 tot en met 24 februari 2013 ingetrokken en de volgens hem onverschuldigd uitbetaalde uitkering ten bedrage van € 5.038,21 teruggevorderd.

1.5.

Bij een tweede besluit van 11 juli 2013 heeft appellant een boete opgelegd van € 3.950,- wegens het feit dat betrokkene niet juist en te laat heeft doorgegeven dat hij vanaf

10 december 2012 werkt bij [werkgever].

1.6.

Bij besluit van 18 november 2013 (bestreden besluit 1) heeft appellant de bezwaren van betrokkene tegen de besluiten van 11 juli 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, aan betrokkene een boete opgelegd van € 1.000,- en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. Voorts is appellant veroordeeld in de proceskosten van betrokkene en vergoeding van het griffierecht. De rechtbank heeft het volgende overwogen. Betrokkene betwist niet de herziening en terugvordering van de teveel betaalde WW-uitkering, maar enkel de opgelegde boete die hij onevenredig hoog vindt. Het niet tijdig melden van de op 10 december 2012 aangevangen werkzaamheden is op grond van artikel 25 en 27a van de WW een boetewaardige gedraging. Betrokkene kan van deze gedraging een verwijt worden gemaakt. Nu de overtreding niet is opgeheven vóór 31 januari 2013 is gelet op het overgangsrecht bij de Wet aanscherping en handhaving sanctiebeleid SZW-wetgeving het recht van toepassing zoals dat geldt sinds

1 januari 2013. Op grond van het Boetebesluit sociale zekerheidswetten (Boetebesluit) zoals dat sindsdien luidt wordt in beginsel een boete van 100% van het benadelingsbedrag opgelegd, terwijl dit tot die datum 10% was. Indien de strafdreiging is verhoogd na het plegen van het feit, moet de rechter bij de straftoemeting blijven binnen het maximum dat gold ten tijde van het plegen van het feit. Dit betekent dat de boete niet in rechte stand houdt, omdat over de gehele periode een boete van 100% van het benadelingsbedrag is opgelegd. De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien en bepaald welke boete passend en geboden is. Rekening houdend met het verschil in boetemaximum vóór en vanaf 1 januari 2013 bedraagt de boete in beginsel € 3.918,-. Appellant heeft verminderde verwijtbaarheid aangenomen die op grond van artikel 2 van het Boetebesluit zou moeten leiden tot een verlaging tot 75% van de boete, derhalve € 2.938,-. De rechtbank heeft beoordeeld of de opgelegde boete evenredig is. Betrokkene heeft meermalen (tienmaal) geprobeerd door te geven dat hij weer aan het werk was, maar dit is mislukt wegens telefonische en digitale onbereikbaarheid van het Uwv. Appellant heeft erkend dat er in januari 2013 problemen zijn geweest met de website, maar heeft niet toegelicht hoe lang deze situatie heeft geduurd. Onduidelijk is dan ook in hoeverre de schending van de inlichtingenplicht is doorgelopen door aan appellant te wijten omstandigheden. In dit alles heeft de rechtbank aanleiding gezien om de boete verder te beperken tot € 1.000,-.

3.1.

Appellant keert zich in hoger beroep tegen deze matiging van de boete. Betrokkene heeft de opgave van zijn werkzaamheden niet alleen te laat gedaan, maar heeft ook bewust een onjuiste aanvangsdatum genoemd. Met zijn opgave, dat hij vanaf 1 februari 2013 bij [werkgever] werkte, wilde betrokkene, zo blijkt uit zijn verklaringen, de destijds in zijn ogen ten onrechte niet ontvangen WW-uitkering compenseren. Gelet hierop heeft de rechtbank in het feit dat de website van het Uwv in januari 2013 enkele keren niet bereikbaar was ten onrechte aanleiding gezien om de boete te matigen.

3.2.

Bij besluit van 6 maart 2015 (bestreden besluit 2) heeft appellant bestreden besluit 1 gewijzigd. Het bezwaar tegen het besluit van 11 juli 2013 waarbij de WW-uitkering is ingetrokken en teruggevorderd, is opnieuw ongegrond verklaard. Het bezwaar tegen het besluit van 11 juli 2013, waarbij een boete is opgelegd, is gegrond verklaard met dien verstande dat het boetebedrag wordt bepaald op € 2.025,-. Dit bedrag is berekend met toepassing van het nieuwe boetebeleid dat is opgesteld naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 24 november 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3754). Het boetebedrag vóór

1 januari 2013 wordt bepaald op 10% van het benadelingsbedrag van € 1.245,- en bedraagt

€ 125,-. Het boetebedrag vanaf 1 januari 2013 wordt, wegens verwijtbaarheid, bepaald op 50% van het benadelingsbedrag van € 3.793,- en bedraagt, afgerond op € 10,- naar boven,

€ 1.900,-, zodat de totale boete uitkomt op € 2.025,-. De feiten en omstandigheden geven geen aanleiding het boetebedrag te matigen. Op grond van de beschikbare financiële en persoonlijke gegevens is er ook geen aanleiding de boete wegens de draagkracht van betrokkene te verlagen.

3.3.

Betrokkene heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv veel meer dan enkele keren onbereikbaar is geweest, waardoor hij de wijziging niet kon doorgeven. Appellant was via de werkgever allang op de hoogte van het dienstverband. Betrokkene is van mening dat hij recht had op WW-uitkering in oktober en november 2012. Hij heeft deze willen innen door op te geven dat hij met ingang van 1 februari 2013 is gaan werken. Ter zitting heeft betrokkene verklaard dat hij kan leven met de door de rechtbank opgelegde boete van € 1.000,-, maar een boete van € 2.025,- onevenredig hoog vindt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ook de hoogte van het benadelingsbedrag, weergegeven in 3.2, is niet geschil. Appellant keert zich tegen de vaststelling door de rechtbank van de boete op € 1.000,- en heeft in bestreden besluit 2 de boete vastgesteld op € 2.025,-. Dit besluit wordt op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de procedure betrokken.

4.2.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Boetebesluit, zoals dit luidde vóór 1 januari 2013, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 10% van het benadelingsbedrag, met dien verstande dat zij op tenminste € 52,- wordt vastgesteld.

4.3.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Boetebesluit, zoals dit luidt met ingang van

1 januari 2013, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op de hoogte van het benadelingsbedrag, met dien verstande dat zij op ten minste € 150,- wordt vastgesteld. Bij verminderde verwijtbaarheid wordt de bestuurlijke boete verlaagd. Op grond van artikel 2a, tweede lid, van het Boetebesluit, welk artikel sinds 1 januari 2013 in werking is, leiden bij de beoordeling van de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten, in ieder geval de volgende criteria tot verminderde verwijtbaarheid: (…) c. de betrokkene heeft wel inlichtingen verstrekt, die echter onjuist of onvolledig waren, of heeft anderszins een wijziging van omstandigheden niet onverwijld gemeld, maar uit eigen beweging alsnog de juiste inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd, tenzij de betrokkene deze inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van een inlichtingenverplichting.

4.4.

Naar aanleiding de in 3.2 genoemde uitspraak van de Raad van 24 november 2014 heeft het Uwv zijn boetebeleid aangepast. Bij volledige verwijtbaarheid, zonder dat sprake is van opzet of grove schuld, wordt de boete wordt vastgesteld op 50%. Voor situaties als bedoeld in artikel 2a, tweede lid, onder c, van het Boetebesluit wordt, indien de juiste inlichtingen alsnog binnen een jaar worden verstrekt, de boete in beginsel vastgesteld op 25% van het benadelingsbedrag.

4.5.

Betrokkene heeft door zijn werkzaamheden bij [werkgever] pas op 5 maart 2013 te melden artikel 25 van de WW geschonden. Deze bepaling verplicht er toe dat hij deze werkzaamheden, die zijn aangevangen op 12 december 2012, onverwijld aan het Uwv had gemeld. Appellant heeft aan bestreden besluit 2 ten grondslag gelegd dat er geen aanleiding is om ter zake van deze schending van de inlichtingenplicht verminderde verwijtbaarheid aan te nemen, omdat betrokkene op het wijzigingsformulier van 5 maart 2013 een onjuiste ingangsdatum van de werkzaamheden, 1 februari 2013, heeft vermeld. Dit standpunt wordt onderschreven. Dat betrokkene in deze periode in moeilijke financiële omstandigheden verkeerde dan wel dat de website van het Uwv in januari 2013 enige tijd niet bereikbaar was is geen reden om die wezenlijke melding achterwege te laten of verminderde verwijtbaarheid aan te nemen, zeker niet nu het gaat om een bewuste keuze van betrokkene, op een moment waarop – naar eigen zeggen – de problemen met de website niet kunnen hebben gespeeld omdat deze zich pas in januari 2013 voordeden. Hiervan uitgaande heeft appellant de boete in bestreden besluit 2 juist vastgesteld. Betrokkene is met deze boete niet tekort gedaan. Voor matiging van deze boete wegens de overige omstandigheden van het geval is geen aanleiding. De boete van € 2.025 is in dit geval passend geboden.

4.6.

Betrokkene heeft ter zitting gesteld dat hij in totaal een hoger bedrag heeft betaald – circa € 10.000,- – dan waar het Uwv op grond van de terugvorderings- en boetebesluiten recht op heeft. Deze stelling valt buiten de omvang van het geding, dat zich beperkt tot de hoogte van de boete.

4.7.

In zijn reactie op bestreden besluit 2 heeft betrokkene verzocht om vergoeding van schade van € 500,- voor gemaakte kosten in verband met de hoger beroepsprocedure van de afgelopen twee jaar. Dit verzoek komt niet voor inwilliging in aanmerking, reeds omdat betrokkene niet concreet onderbouwd heeft welke schade hij heeft geleden. Voor zover hij heeft gewezen op stress als gevolg van de procedure in hoger beroep geldt dat deze binnen een redelijke termijn is afgerond, zodat voor een vergoeding om die reden geen aanleiding bestaat.

4.8.

In hoger beroep is uitsluitend in geschil de hoogte van de opgelegde boete. Wat in 4.1 tot en met 4.8 is overwogen leidt tot de slotsom dat het hoger beroep slaagt, omdat de rechtbank een te lage boete heeft opgelegd. Gelet hierop dient de aangevallen uitspraak ook in zoverre te worden vernietigd. Het beroep tegen bestreden besluit 2, waarbij de bezwaren tegen de intrekking en terugvordering van de WW-uitkering opnieuw ongegrond zijn verklaard en de boete is vastgesteld op € 2.025,-, is ongegrond.

4.9.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 6 maart 2015 ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en C.C.W. Lange en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 april 2016.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) N. van Rooijen

UM