Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1320

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-04-2016
Datum publicatie
14-04-2016
Zaaknummer
15/5773 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Geschiktheid voor tenminste één van de in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies. Belastbaarheid niet gewijzigd. Appellant heeft aan het bestreden besluit weliswaar een onjuiste motivering ten grondslag gelegd, maar zijn conclusie dat hij de ZW-uitkering terecht had beëindigd, is juist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0385
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5773 ZW

Datum uitspraak: 7 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
15 juli 2015, 12/37, 12/408 en 12/2138 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2016. Namens appellant is verschenen mr. A.I. Damsma. Betrokkene is ter zitting niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene was laatstelijk werkzaam als schilder voor 38 uur per week bij [werkgever]. Op 12 september 2008 heeft betrokkene zich arbeidsongeschikt gemeld vanwege vermoeidheidsklachten. Bij besluit van 1 september 2010 heeft appellant vastgesteld dat voor betrokkene geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) is ontstaan, omdat hij met ingang van 10 september 2010 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Betrokkene heeft zich vervolgens vanuit de situatie waarin hij een werkeloosheidsuitkering ontving met ingang van 4 april 2011 ziekgemeld en een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid gedaan.

1.2.

Bij besluit van 24 juni 2011 (primair besluit I) heeft appellant geweigerd betrokkene met ingang van 5 april 2011 een WIA-uitkering toe te kennen, op de grond dat geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak ten opzichte van de eerdere beoordeling per 10 september 2010. Het bezwaar dat betrokkene tegen dit besluit heeft gemaakt heeft appellant bij besluit van 24 november 2011 (bestreden besluit I) ongegrond verklaard.

1.3.

Bij besluit van 28 juli 2011 (primair besluit II) heeft appellant betrokkene meegedeeld dat hij vanaf 4 augustus 2011 weer geschikt wordt geacht zijn arbeid te verrichten en per die datum geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Het bezwaar dat betrokkene tegen dit besluit heeft gemaakt heeft appellant bij afzonderlijk besluit van

24 november 2011 (bestreden besluit II) ongegrond verklaard.

1.4.

Bij besluit van 7 december 2011 (primair besluit III) heeft appellant geweigerd om terug te komen van zijn eerdere besluit van 1 september 2010. Het bezwaar dat betrokkene tegen dit besluit heeft gemaakt heeft appellant bij besluit van 27 juli 2012 (bestreden besluit III) ongegrond verklaard.

1.5.

Bij besluit van 20 december 2013 (het bestreden besluit IV) heeft appellant de bestreden besluiten I en III herzien en betrokkene met ingang van 10 september 2010 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 53,14%.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep dat betrokkene heeft ingesteld tegen de bestreden besluiten I en III niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het bestreden besluit IV ongegrond verklaard, het beroep tegen het bestreden besluit II gegrond verklaard en dit besluit vernietigd.

2.2.

De rechtbank heeft daaraan de volgende – kort weergegeven – overweging ten grondslag gelegd. Bij het primaire besluit II heeft appellant de ZW-uitkering van betrokkene met ingang van 4 augustus 2011 ingetrokken, op de grond dat betrokkene in staat moet worden geacht één van de in het kader van de WIA-beoordeling geduide functies te verrichten. Appellant acht betrokkene geschikt voor de functie van Huishoudelijk medewerker gebouwen. In een begeleidende brief van 20 december 2013 bij bestreden besluit IV heeft appellant aan betrokkene medegedeeld dat appellant met betrekking tot de hersteldverklaring per 4 augustus 2011 in het kader van de ZW onveranderd vasthoudt aan het standpunt dat betrokkene geschikt is te achten voor één van de in het kader van de WIA-beoordeling voorgehouden functies. De bij het bestreden besluit IV gewijzigde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 november 2013 is geldig op 10 september 2010, 5 april 2011 en 10 februari 2012

(de ingangsdatum van de vervolguitkering), hetgeen naar het oordeel van de rechtbank betekent dat deze FML ook op 4 augustus 2011, de datum in geding in de procedure met betrekking tot de ZW, geldig was. Omdat in deze FML een urenbeperking van 30 uur per week en 6 uur per dag is gesteld, terwijl de intrekking van de ZW-uitkering is gebaseerd op betrokkenes geschiktheid voor de fulltime functies die in het kader van het besluit van

1 september 2010 tot weigering van een WIA-uitkering zijn geduid, heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant betrokkene per 4 augustus 2011 ten onrechte weer geschikt heeft geacht voor één van deze in het kader van de WIA-beoordeling voorgehouden functies.

2.3.

De rechtbank heeft het primaire besluit II herroepen en bepaald dat de ZW-uitkering van betrokkene per 4 augustus 2011 wordt voortgezet en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit II.

3.1.

Ter zitting is vastgesteld dat het hoger beroep van appellant alleen is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank, voor zover daarin, na de vernietiging van het bestreden besluit II, door de rechtbank zelf in de zaak is voorzien als onder 2.3 verwoord. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank hem de ruimte had moeten laten zelf een nieuw besluit te nemen. De beoordeling van de aangevallen uitspraak wordt daarom tot dit onderdeel beperkt.

3.2.

Betrokkene heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als deze in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Zoals de Raad vaker heeft geoordeeld gaat het daarbij om elk van de functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer betrokkene in staat is tenminste één van de geselecteerde functies te verrichten.

4.2.

Appellant heeft de bij het bestreden besluit IV aan betrokkene per 10 september 2010 toegekende loongerelateerde WGA-uitkering gebaseerd op de FML van 11 november 2013 en op basis daarvan de functies Productiemedewerker voedingsmiddelen industrie, Inpakker en Huishoudelijk medewerker gebouwen geduid. Deze functies zijn op parttime basis en daarmee passend bij de in de FML vastgestelde beperkte arbeidsduur van 30 uur per week,

6 uur per dag.

4.3.

De parttime functies die aan het bestreden besluit IV, dat ziet op de datum 10 september 2010, ten grondslag zijn gelegd, vormen in overeenstemming met overweging 4.1 de maatstaf arbeid bij de vraag of betrokkene per 4 augustus 2011 in staat moet worden geacht zijn arbeid te verrichten, waarop is beslist bij bestreden besluit II. Nu de belastbaarheid van betrokkene op 4 augustus 2011 niet is gewijzigd ten opzichte van de belastbaarheid van betrokkene op

10 september 2010, moet betrokkene ook op 4 augustus 2011 in staat worden geacht ten minste één van de geduide parttime functies te verrichten.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat appellant aan bestreden besluit II weliswaar een onjuiste motivering ten grondslag heeft gelegd, maar dat zijn conclusie dat hij de ZW-uitkering terecht had beeindigd en het bezwaar dus ongegrond was, wel juist was.

4.5.

De overwegingen in 4.1 tot en met 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, moet worden vernietigd. Nu in deze situatie sprake is van maar één mogelijke oplossing, zal de Raad zelf voorzien in de zaak door te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit II in stand blijven. Dit houdt in dat de ZW-uitkering van betrokkene per 4 augustus 2011 niet wordt voortgezet.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit II in stand blijven;

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en A.I. van der Kris en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2016.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) N. Veenstra

UM