Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1319

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-04-2016
Datum publicatie
13-04-2016
Zaaknummer
15/902 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek terug te komen van inschalingsbesluiten in periode tussen 2007 en 2012. Vaste rechtspraak dat op zo’n verzoek artikel 4:6 van de Awb van overeenkomstige toepassing is. Met de korpschef en rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant zijn stelling - vergelijkbare situatie als in uitspraak van 26 mei 2011 - niet aannemelijk heeft gemaakt. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Correctieverzoek niet gedaan binnen redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2016/106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/902 AW

Datum uitspraak: 7 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 19 december 2014, 13/6208 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316) is in dit geschil de korpschef in de plaats getreden van de korpsbeheerder van politieregio Utrecht (korpsbeheerder). Waar in deze uitspraak wordt gesproken van korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

Namens appellant heeft mr. W.J. Dammingh, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft geen aanleiding gezien een verweerschrift in te dienen.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 15/903 AW plaatsgehad op 25 februari 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dammingh. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Wensen. Na behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is met ingang van 7 november 2005 aangesteld in tijdelijke dienst bij Politie Utrecht voor de duur van de initiële opleiding als aspirant allround politiemedewerker. Hij is daarbij ingedeeld in salarisschaal 4a, trede 1. Vervolgens is appellant met ingang van

7 november 2008 aangesteld in vaste dienst bij de Politie Utrecht als aspirant allround politiemedewerker. Daarbij is hij ingedeeld in salarisschaal 4a, trede 4. Met ingang van

31 oktober 2009 is appellant bevorderd tot politieagent A, waarbij hij is ingedeeld in salarisschaal 6, trede 3. Met ingang van november 2010 is appellant bevorderd tot politieagent B, waarbij hij is ingedeeld in salarisschaal 7, trede 5.

1.2.

Bij brief van 6 december 2012 heeft appellant, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 26 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8061, de korpschef verzocht om vanaf de dag van zijn aanstelling zijn inschaling te corrigeren. Ter ondersteuning van zijn verzoek heeft appellant aangevoerd dat hij bij zijn aanstelling als aspirant allround politiemedewerker niet is ingeschaald in overeenstemming met het beleid, zoals dat is beschreven in de Kadernota bezoldiging aspiranten politieonderwijs 2002 van de politie Regio Utrecht (hierna: Kadernota) en de Uitvoeringsregeling instroom aspiranten PO 2002 van de politie regio Utrecht (uitvoeringsregeling). Op grond van dat beleid had aan appellant een toelage moeten worden toegekend ter compensatie van de achteruitgang in salaris toen hij werd aangesteld. Volgens appellant is hij tijdens zijn sollicitatie niet alleen niet op de hoogte gesteld van dat beleid, maar is hem expliciet en met de nodige stelligheid een van dat beleid afwijkend beeld geschetst.

1.3.

Bij besluit van 5 maart 2013 heeft de korpschef het verzoek van appellant om correctie van zijn inschaling toegewezen, voor zover het verzoek betrekking heeft op de periode vanaf

7 december 2012 met dien verstande dat aan appellant één extra trede (periodiek) wordt toegekend. De korpschef heeft het verzoek afgewezen voor zover het ziet op de periode vóór 7 december 2012. Daaraan heeft hij wat betreft de periode vóór 7 december 2007 ten grondslag gelegd dat de aanspraken van appellant zijn verjaard. De afwijzing van het verzoek om correctie van zijn inschaling over de periode van 7 december 2007 tot 7 december 2012 berust op de grond dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

1.4.

Bij besluit van 17 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar tegen het besluit van 5 maart 2013 ongegrond verklaard. Aan de handhaving van de afwijzing van de correctie van de inschaling over de periode van 7 december 2007 tot 7 december 2008 heeft de korpschef ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft kunnen aantonen dat zijn situatie bij aanstelling exact gelijk was aan die van zijn collega in de uitspraak van de Raad van 26 mei 2011 en dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover dit betrekking heeft op de inschaling vanaf

7 december 2012. De rechtbank heeft bepaald dat aan appellant niet één, maar twee extra periodieken moeten worden toegekend en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit.

2.2.

De rechtbank heeft onder meer geoordeeld dat de korpschef wat betreft de periode van

7 december 2007 tot 7 december 2012 niet tot correctie van de inschaling hoefde over te gaan omdat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Volgens de rechtbank kan het beroep van appellant op de uitspraak van de Raad van 26 mei 2011 hem niet baten, onder meer omdat in geval van appellant niet is komen vast te staan dat hij door de korpschef nadrukkelijk op het verkeerde been is gezet. De rechtbank heeft in dat kader gewezen op de verklaring van appellant tijdens de hoorzitting in bezwaar dat er bij zijn aanvangsgesprek niet is gesproken over salaris, zodat van een op het verkeerde been zetten wat betreft de mogelijkheden om te onderhandelen over het salaris dan ook geen sprake is geweest.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft het onder 2.2 weergegeven oordeel van de rechtbank bestreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft bij de brief van 6 december 2012 de korpschef verzocht, voor zover in hoger beroep nog van belang, dat de korpschef terugkomt van de eerder genomen inschalingsbesluiten voor zover deze zien op de periode van 7 december 2007 tot 7 december 2012.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 21 oktober 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AM3202) is op zo’n verzoek artikel 4:6 van de Awb van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren moet brengen. Wanneer de aanvrager dat niet doet, kan een bestuursorgaan het verzoek afwijzen met verwijzing naar zijn eerdere besluit.

4.3.

Appellant heeft in zijn brief van 6 december 2012 verwezen naar de uitspraak van de Raad van 26 mei 2011. In die uitspraak heeft de Raad ten aanzien van een collega van appellant vastgesteld dat deze tijdens zijn sollicitatie niet alleen niet op de hoogte is gesteld van het in de Kadernota en de Uitvoeringsregeling neergelegde beleid, maar dat hem bovendien expliciet en met de nodige stelligheid een van dat beleid afwijkend beeld is geschetst. Vervolgens heeft de Raad overwogen dat (aanvankelijke) onbekendheid met toegepast en gepubliceerd beleid, indien op dat beleid achteraf alsnog een beroep wordt gedaan, op zichzelf niet zal kunnen leiden tot het oordeel dat van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb moet worden gesproken. Omdat in het geval van de betrokkene niet van enkele onbekendheid sprake was, maar hij van de zijde van de korpsbeheerder nadrukkelijk op het verkeerde been is gezet, lagen de zaken in zijn geval anders en is het door betrokkene alsnog bekend raken met het toegepaste beleid wel als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid als in 4:6 van de Awb bedoeld te beschouwen.

4.4.

Appellant heeft gesteld dat zijn situatie vergelijkbaar is met die van de betrokkene in de uitspraak van de Raad 26 mei 2011 en dat hij tijdens zijn sollicitatie in 2005 niet alleen niet op de hoogte is gesteld van het in de Kadernota en de Uitvoeringsregeling neergelegde beleid, maar dat hem expliciet en met de nodige stelligheid een van dat beleid afwijkend beeld is geschetst. Appellant wordt hierin niet gevolgd. Met de korpschef en de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant zijn stelling niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank heeft terecht betekenis gehecht aan de verklaring van appellant ter hoorzitting in bezwaar. Blijkens het verslag van die hoorzitting heeft appellant verklaard dat er bij zijn intakegesprek geen salarisafspraken zijn gemaakt, maar dat hij zelf wel te kennen heeft gegeven dat er een aanzienlijk verschil was tussen zijn laatstverdiende salaris en het aanvangssalaris bij de politie. Daaruit en ook uit wat appellant ter zitting van de Raad over het intakegesprek in 2005 heeft verklaard, kan niet worden afgeleid dat de korpschef hem expliciet en met de nodige stelligheid een van het in de Kadernota en de Uitvoeringsregeling afwijkend beeld heeft geschetst en hem nadrukkelijk op het verkeerde been heeft gezet.

4.5.

Gelet op wat in 4.4 is overwogen is geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De korpschef mocht het verzoek van appellant, om correctie van zijn inschaling over de periode van 7 december 2007 tot 7 december 2012, dan ook afwijzen met toepassing van artikel 4:6 van de Awb.

4.6.

Uit de gedingstukken blijkt dat in 2007 in overlegvergaderingen tussen korpsleiding en ondernemingsraad is gesproken over de positie van werkstudenten die gezien hun vooropleiding, werk- en levenservaring en/of gezinssituatie te laag zijn ingeschaald en dat de korpsleiding heeft toegezegd dat de betrokkenen dit kunnen aankaarten bij de afdeling P&O. Naar aanleiding daarvan heeft de ondernemingsraad, via berichten die in dat jaar op het intranet van het korps (korpsnet) zijn geplaatst, daarvoor aandacht gevraagd. Vervolgens hebben zich enkele tientallen collega’s van appellant bij P&O gemeld en verzocht om een correctie van hun inschaling. Ter zitting van de Raad heeft de korpschef verklaard dat deze verzoeken inhoudelijk zijn behandeld. Voor een inhoudelijke behandeling van het verzoek van appellant, om met terugwerkende kracht zijn inschaling te corrigeren, zag de korpschef echter geen aanleiding omdat dat verzoek niet binnen redelijke termijn na publicatie van de berichten van de ondernemingsraad op het korpsnet zijn gedaan. Voor zover appellant heeft aangevoerd dat hierin bijzondere omstandigheden zijn gelegen op grond waarvan de korpschef zijn verzoek niet met toepassing van artikel 4:6 van de Awb had mogen afdoen, treft deze beroepsgrond geen doel. Daartoe wordt overwogen dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een verzoek om terug te komen van een eerder besluit inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen, maar de zaak ook vereenvoudigd kan afdoen indien geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Het stond de korpschef daarom vrij om alleen die verzoeken om inschaling met terugwerkende kracht te corrigeren inhoudelijk te behandelen die zijn gedaan binnen redelijke termijn na de publicatie van de berichten van de ondernemingsraad op het korpsnet. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant zijn verzoek niet binnen redelijke termijn heeft gedaan.

4.7.

Op grond van wat in 4.1 tot en met 4.6 is overwogen treft het hoger beroep geen doel en komt de aangevallen uitspraak, voor zover deze is aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2016.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) S.W. Munneke

HD