Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1317

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-04-2016
Datum publicatie
19-04-2016
Zaaknummer
15/2391 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mede-terugvordering bijstand in verband met verzwegen gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/2391 WWB

Datum uitspraak: 12 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
23 februari 2015, 14/2704 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G.J. van Ommeren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Ommeren. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.C. Versneij.

OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad in de eerste plaats naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1.

Bij afzonderlijk besluit van 11 september 2013 heeft het college de over de periode van

1 augustus 2012 tot en met 20 juni 2013 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van

€ 9.172,54 van [B.] (B) teruggevorderd. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat B de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het voeren van een gezamenlijke huishouding met appellant.

1.2.

Bij afzonderlijk besluit van eveneens 11 september 2013 heeft het college het in 1.1 vermelde bedrag van € 9.172,54 mede teruggevorderd van appellant. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat gebleken is dat appellant een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met B, dat over de periode van 1 augustus 2012 tot en met 20 juni 2013 teveel bijstand is verstrekt en dat appellant hoofdelijk aansprakelijk is voor de terugbetaling daarvan. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 19 maart 2014 heeft het college dat bezwaar ongegrond verklaard. Bij nader besluit van 4 september 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar alsnog gedeeltelijk gegrond verklaard en de mede- terugvordering van appellant beperkt tot de periode van 1 augustus 2012 tot en met 16 december 2012 tot een bedrag van € 4.945,65. Daarbij heeft het college in aanmerking genomen dat B op 17 december 2013 heeft voldaan aan haar inlichtingenverplichting door toen melding te maken van haar gewijzigde woonsituatie.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 19 maart 2014 niet-ontvankelijk verklaard en voor zover gericht tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 augustus 2012 tot en met 16 december 2012.

4.2.

In artikel 59, tweede lid, van de WWB is bepaald dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17 van de WWB niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van de ten onrechte verleende bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden. Voor de vaststelling dat appellant hier die persoon is, is vereist dat hij in de periode in geding met B een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de WWB heeft gevoerd.

4.3.

Vaststaat dat B in de te beoordelen periode haar hoofdverblijf had in de woning van appellant. Dat dit verblijf noodgedwongen was en uit veiligheidsoverwegingen vanwege voortdurende bedreigingen van de kant van de ex-partner van B, heeft de rechtbank op goede gronden niet relevant geacht. Zoals de Raad reeds vele malen heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 23 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8497) dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang. Verder is niet betwist dat tijdens de te beoordelen periode sprake was van wederzijdse zorg tussen B en appellant.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat appellant met B in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. B heeft daarvan in strijd met de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geen melding gemaakt aan het college.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat appellant de persoon is als bedoeld in artikel 59, tweede lid, van de WWB met wiens middelen bij de verlening van de bijstand aan B over de in geding zijnde periode rekening moest worden gehouden. Daarmee was aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB voldaan. Het college was dan ook bevoegd de over de periode van 1 augustus 2012 tot en met 16 december 2012 ten onrechte ten behoeve van B gemaakte kosten van bijstand mede van appellant terug te vorderen. De stelling van appellant dat hij niet wist dat B bijstand ontving, kan - wat daarvan zij - volgens vaste rechtspraak (uitspraken van onder meer 22 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP5557 en 4 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY5790) aan die bevoegdheid niet afdoen, omdat het bestaan van schuld of opzet geen voorwaarde vormt voor mede-terugvordering ingevolge artikel 59, tweede lid, van de WWB. Dat appellant dit als onrechtvaardig ervaart leidt niet tot een ander oordeel. In dat verband merkt de Raad nog op dat de rechter ingevolge artikel 11 van de Wet algemene bepalingen moet rechtspreken volgens de wet en in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 april 2016.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) M.S. Spek

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

HD