Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1307

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-04-2016
Datum publicatie
19-04-2016
Zaaknummer
14/3016 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3016 WWB

Datum uitspraak: 12 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 16 april 2014, 13/3009 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken 14/3018 WWB, 14/6260 WWB en 15/1832 WWB plaatsgevonden op 1 maart 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door

mr. Kaya. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.P. Hageman. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 18 november 2010 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 19 oktober 2010 is aan appellant bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening van € 3.398,90 toegekend voor de kosten van woninginrichting, verf, behang, de eerste maandhuur en kleding. Daarbij is aan appellant de verplichting opgelegd maandelijks een bedrag af te lossen, dat door het college zou worden ingehouden op en verrekend met zijn lopende bijstand, nadat aan andere aflossingsverplichtingen was voldaan. Nadat het college de bijstand van appellant met ingang van 18 juli 2012 had ingetrokken, heeft appellant niet langer aan zijn aflossingsverplichtingen jegens het college voldaan. Het college heeft hierop bij brief van 4 december 2012 appellant verzocht onder meer voormelde bijzondere bijstand ineens terug te betalen. Appellant heeft hieraan niet voldaan.

1.2.

Bij besluit van 22 april 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 oktober 2013 (bestreden besluit), heeft het college met toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en

onder b, van de WWB de gemaakte kosten van bijzondere bijstand tot een bedrag van € 3.398,90 van appellant teruggevorderd. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant niet aan de uit de leenbijstand voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat hij al lange tijd geen inkomen heeft. Hij is niet in staat de vordering ineens dan wel in termijnen te voldoen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant betwist niet langer dat niet aan de voorwaarden voor terugvordering van de leenbijstand is voldaan. In hoger beroep is uitsluitend nog in geschil of sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de WWB om van terugvordering af te zien.

4.2.

Dringende redenen kunnen naar vaste rechtspraak (zie de uitspraak van 15 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:952) slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Degene die zich beroept op dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, zal het bestaan van de gestelde dringende redenen in de hiervoor bedoelde zin aannemelijk moeten maken.

4.3.

Appellant is daarin niet geslaagd. Wat hij heeft gesteld omtrent de huidige betalingsonmacht is op zichzelf geen gevolg van de terugvordering. Bovendien doen de financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering zich in het algemeen pas voor indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat kader heeft de betrokkene als schuldenaar bescherming, of kan hij deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 april 2016.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) M.S. Spek

HD