Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1306

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-04-2016
Datum publicatie
19-04-2016
Zaaknummer
14/6260 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand door de aanvraag buiten behandeling te laten. De bankafschriften van vóór de aanvraag zijn noodzakelijk voor de beoordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6260 WWB

Datum uitspraak: 12 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 3 oktober 2014, 14/1194 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft geen verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken 14/3016 WWB, 14/3018 WWB en 15/1832 WWB plaatsgevonden op 1 maart 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door

mr. Kaya. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.P. Hageman. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft op 13 september 2013 bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd voor de eigen bijdrage in advocaatkosten.

1.2.

Bij brieven van 14 oktober 2013 en 26 november 2013 heeft het college appellant uitgenodigd voor gesprekken op 26 november 2013 en 4 december 2013. Daarbij is appellant onder meer gevraagd afschriften van zijn bankrekening(en) over de laatste drie maanden mee te nemen. Appellant is er in de laatste brief bovendien op gewezen dat indien hij de gevraagde gegevens niet of niet volledig voor 4 december 2013 inlevert, zijn aanvraag buiten behandeling zal worden gelaten. Appellant is verschenen op het gesprek van 4 december 2013 maar heeft daarbij niet de gevraagde bankafschriften ingeleverd.

1.3.

Bij besluit van 4 december 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 april 2014 (bestreden besluit) heeft het college de aanvraag van appellant niet in behandeling genomen op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant verwijtbaar de voor de beoordeling van de aanvraag gevraagde noodzakelijke gegevens niet binnen de geboden termijn heeft verstrekt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2.

Niet in geschil is dat het college inzicht in de financiële positie van appellant moet hebben om zijn aanvraag te kunnen beoordelen en het recht op bijstand vast te stellen. In dat kader heeft het college onder de gegeven omstandigheden terecht ook om inzage in de bankafschriften over de laatste drie maanden voorafgaand aan de aanvraag verzocht. Appellant heeft de gevraagde, noodzakelijk bevonden bankafschriften echter niet overgelegd. Opgemerkt wordt nog dat niet kon worden volstaan met verwijzing naar de gegevens en bankafschriften die appellant in het kader van eerdere procedures heeft ingebracht. Deze geven immers geen uitsluitsel over de actuele inkomens- en vermogenspositie van appellant voorafgaand en ten tijde van zijn onderhavige aanvraag.

4.3.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat niet aannemelijk is gemaakt dat appellant tijdens het gesprek op 4 december 2013 heeft aangeboden met behulp van zijn Digipas zijn bankafschriften in te zien. Naar aanleiding van deze stellingname van appellant heeft het college na de hoorzitting in bezwaar navraag gedaan bij de ambtenaar in kwestie. Deze heeft nadrukkelijk verklaard dat appellant niet heeft aangeboden via zijn Digipas inzage in zijn bankafschriften te geven, en dat als hij dit wel had gedaan, zeker van dat aanbod gebruik zou zijn gemaakt. De Raad ziet geen aanleiding de juistheid van die verklaring in twijfel te trekken.

4.4.

Dat appellant, zoals hij ter zitting heeft gesteld, door blokkering van zijn bankrekening niet via internet de beschikking kon krijgen over bankafschriften, heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Dat hij kosten zou moeten te maken om bij de bank de gevraagde bankafschriften in bezit te krijgen is, wat daarvan zij, een omstandigheid die voor rekening en risico van appellant moet blijven.

4.5.

Voorts kan er ook in deze zaak niet aan worden voorbijgezien dat uit nader onderzoek van het college is gebleken, dat appellant naast de bij het college bekende bankrekening sinds 19 oktober 2011 tevens de beschikking had over ING-bankrekening 758327471. Appellant heeft daarvan bij het college geen melding gemaakt en evenmin afschriften van deze bankrekening over de laatste drie maanden voorafgaand aan de aanvraag overgelegd.

4.6.

Ten slotte is niet gebleken dat appellant de door het college gevraagde gegevens niet binnen de geboden hersteltermijn kon overleggen. Indien appellant meer tijd nodig had voor het overleggen van de gegevens, had het op zijn weg gelegen om verlenging van de termijn te vragen. Appellant heeft hier niet om verzocht.

4.7.

Gelet op het voorgaande was het college dan ook bevoegd de aanvraag van appellant buiten behandeling te stellen. Er is geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.

4.8.

Uit 4.2 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 april 2016.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) M.S. Spek

HD