Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1302

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-04-2016
Datum publicatie
12-04-2016
Zaaknummer
13-4048 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:4402, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet gesteld kan worden dat de ontslagname appellante niet kan worden verweten, zodat het Uwv de ZW-uitkering van appellante terecht bij wijze van maatregel blijvend en geheel heeft geweigerd. Terugvordering voorschot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0384
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/4048 ZW, 13/4049 ZW

Datum uitspraak: 6 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

13 juni 2013, 12/4281 en 12/4282 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.J. Wintjes, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Wintjes. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.H.G. Boelen.

Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Appellante heeft nadere stukken ingediend, waarop het Uwv bij brief van 23 april 2015 heeft gereageerd. Appellante heeft vervolgens weer gereageerd op deze brief van het Uwv.

Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1

Appellante was werkzaam bij de afdeling Stadstoezicht van de gemeente Rotterdam (werkgever), laatstelijk in de functie van handhaver. Op 23 september 2010 heeft zij zich ziek gemeld in verband met fysieke en psychische klachten. Op enig moment is appellante in het kader van haar re-integratie aan haar beperkingen aangepaste werkzaamheden gaan verrichten, maar deze werkhervattingen bleken niet duurzaam.

1.2.

Na overleg tussen de arbeidsdeskundige [X.] en de leidinggevende van appellante

[Y.] op 15 september 2011 zou appellante op 24 oktober 2011 in het kader van haar re-integratie gaan beginnen als fiscaal controleur. Appellante heeft zich op die dag evenwel ziek gemeld in verband met toegenomen rugklachten en andere medische klachten. Op 28 oktober 2011 heeft de bedrijfsarts, ervan uitgaande dat de (toename van) klachten van voorbijgaande aard zouden zijn, geadviseerd dat appellante pas op 3 november 2011 zal starten als fiscaal controleur vanuit de ’[locatie A.], en dat zij tot die tijd, vanaf 31 oktober 2011, (licht administratief) binnenwerk zal gaan verrichten aan de

’[locatie A.]. Op 31 oktober 2011 heeft appellante zich ziek gemeld bij het verzuimpiket, welke ziekmelding, gelet op het advies van de bedrijfsarts van 28 oktober 2011, niet is geaccepteerd. Zowel het verzuimpiket als haar teamleider hebben appellante gewezen op de mogelijkheid een deskundigenoordeel aan te vragen bij het Uwv. Ook nadat de teamleider appellante te kennen heeft gegeven dat zij op 31 oktober 2011om uiterlijk 12.00 uur op het werk werd verwacht, is appellante niet verschenen. Bij besluit van 1 november 2011 heeft werkgever appellante gesommeerd om op 3 november 2011, om 14.30 uur, aan de

’[locatie A.] haar werkzaamheden te hervatten. Nadat appellante op 3 november 2011 om 14.30 uur telefonisch aan haar teamleider had doorgegeven dat zij niet zou verschijnen, is haar medegedeeld dat zij om 15.30 uur alsnog werd verwacht. Appellante is om 15.30 uur verschenen, waarna er een gesprek heeft plaatsgevonden tussen appellante, haar teamleider en de clustermanager. Tijdens dit gesprek, dat gedeeltelijk is bijgewoond door de vader van appellante, heeft appellante te kennen gegeven te overwegen een ontslagverzoek in te dienen. De beide leidinggevenden hebben appellante gewezen op het ingrijpende karakter van zo’n besluit en hebben haar in overweging gegeven een dag bedenktijd te nemen. Afgesproken is dat appellante de volgende dag telefonisch contact op zou nemen. Op 4 november 2011 heeft appellante telefonisch aan de teamleider laten weten te blijven bij haar besluit om ontslag te nemen. De teamleider heeft daarop aangekondigd een P&O-medewerker te zullen verzoeken appellante verder te adviseren en te begeleiden. Nadat appellante op 4 november 2011 heeft gesproken met een P&O-functionaris, heeft zij op 7 november 2011 laten weten te blijven bij haar besluit.

1.3.

Nadat appellante op 7 november 2011 schriftelijk om ontslag had verzocht, heeft werkgever appellante bij besluit van 21 november 2011 met ingang van 16 december 2011 eervol ontslag op eigen verzoek verleend uit haar functie van handhaver. Het ontslagbesluit is met de uitspraak van de Raad van 29 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:218) in rechte onaantastbaar geworden.

1.4.

Op 8 december 2011 heeft appellante via haar werkgever een aanvraag ingediend om in aanmerking te komen voor een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW). Bij besluit van

16 december 2011 heeft het Uwv met ingang van 16 december 2011 een voorschot op een

ZW-uitkering toegekend.

1.5.

Bij besluit van 19 januari 2012 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen op de grond dat appellante een benadelingshandeling heeft gepleegd, en de ZW-uitkering bij wijze van maatregel blijvend en geheel geweigerd. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij besluit van 20 augustus 2012 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe heeft het Uwv, onder verwijzing naar een rapportage van verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 augustus 2012, overwogen dat het nemen van ontslag verwijtbaar was.

1.6.

Bij besluit van 24 januari 2012 heeft het Uwv de over de periode van 16 december 2011 tot en met 15 januari 2012 op voorschot verstrekte ZW-uitkering ter hoogte van € 1.571,66 van appellante teruggevorderd. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij besluit van 20 augustus 2012 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep genoegzaam heeft gemotiveerd dat de beschikbare medische gegevens geen aanwijzing bevatten dat de psychische klachten van appellante zo ernstig waren dat het voortzetten van haar dienstverband redelijkerwijs niet van haar kon worden gevergd. Volgens de rechtbank heeft het Uwv terecht geen verminderde verwijtbaarheid aangenomen.

3. In hoger beroep heeft appellante erkend dat zij met de ontslagname een benadelingshandeling heeft gepleegd, maar heeft zij betoogd dat deze ontslagname haar niet, dan wel niet in overwegende mate, kan worden verweten. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellante gewezen op de volgende omstandigheden: het feit dat – alsmede de omstandigheden waaronder – het re-integratietraject een jaar heeft stilgelegen, de dwangpositie waarin appellante kwam te verkeren door de dienstopdracht in de brief van

1 november 2011 terwijl de arbeidsdeskundige op dat moment nog bezig was om te bepalen of de functie geschikt was, het uit de hand gelopen gesprek op 3 november 2011 in combinatie met de psychische gesteldheid van appellante, en het feit dat er na 3 november 2011 niet meer aan conflictoplossing is gedaan. Naar de mening van appellante heeft het Uwv met de toelichting van 23 april 2015 onvoldoende gemotiveerd waarom appellante wat betreft de ontslagname (onverminderd) een verwijt kan worden gemaakt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW bepaalt dat het Uwv het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend weigert, indien de verzekerde door zijn doen of laten het Algemeen Werkloosheidsfonds, het sectorfonds of het Uitvoeringsfonds voor de overheid benadeelt of zou kunnen benadelen.

4.2.

Artikel 45, tweede lid, van de ZW bepaalt dat een maatregel als bedoeld in het eerste lid, wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de verzekerde de gedraging kan worden verweten. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.3.

Ingevolge artikel 7, aanhef en onder a, van het Maatregelenbesluit wordt bij overtreding van de verplichting, bedoeld in artikel 45, eerste lid, aanhef en onderdeel j, van de ZW een maatregel opgelegd van de vierde categorie.

4.4.

Artikel 2 van het Maatregelenbesluit, voor zover hier van belang, luidt:

“1. De hoogte en duur van een, op grond van de in artikel 1, onderdelen b tot en met m, genoemde wetten, op te leggen maatregel wordt, met dien verstande dat de hoogte van de maatregel ten minste € 25 bedraagt, vastgesteld op:

(…..)

c. 25 procent van het uitkeringsbedrag met een mogelijkheid van afwijking tot ten minste 15 procent of ten hoogste 100 procent van het uitkeringsbedrag, gedurende ten minste vier maanden bij verplichtingen uit de derde categorie, bedoeld in de artikelen 5 en 6; of

d. een blijvend gehele weigering van de uitkering bij verplichtingen uit de vierde categorie, bedoeld in artikel 7, tenzij het niet nakomen van de verplichting de belanghebbende niet in overwegende mate kan worden verweten, in welk geval onderdeel c van toepassing is.”

4.5.

Ter zitting van de Raad heeft appellante erkend dat zij met de ontslagname op

3 november 2011 een benadelingshandeling in de zin van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW heeft gepleegd. Het betreft hier een handelen dat moet worden gekwalificeerd als het schenden van een verplichting van de vierde categorie als bedoeld in artikel 7, aanhef en onder a, van het Maatregelenbesluit, waarbij gelet op artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, een blijvend gehele weigering van de uitkering past, tenzij het niet nakomen van de verplichting de belanghebbende niet in overwegende mate kan worden verweten.

4.6.

Appellante wordt niet gevolgd in haar betoog dat het niet nakomen van voornoemde verplichting haar als gevolg van de in 3 genoemde omstandigheden (in onderlinge samenhang bezien) niet, dan wel niet in overwegende mate, kan worden verweten.

4.6.1.

Vooropgesteld wordt dat uit de stukken is gebleken dat het initiatief tot het ontslag is uitgegaan van appellante. Niet is gebleken dat werkgever op enig moment de intentie heeft gehad of pogingen heeft ondernomen om, al dan niet in verband met de ziekte van appellante, te komen tot het einde van de aanstelling van appellante.

4.6.2.

Dat het re-integratietraject, zoals appellante heeft gesteld, een jaar heeft stilgelegen blijkt niet uit de stukken. Zoals in 1.1 is vermeld, blijkt uit de stukken juist dat werkgever appellante, rekening houdend met haar beperkingen, vanaf het moment van de ziekmelding op

23 september 2010 heeft proberen te re-integreren. In dat kader zou appellante ook per 24 oktober 2011 starten als fiscaal controleur.

4.6.3.

Uit de rapportage van arbeidsdeskundige [X.] van 3 november 2011 blijkt dat zij op 3 november 2011, op basis van de op die datum door de bedrijfsarts verscherpte Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), heeft vastgesteld dat appellante geschikt was te achten voor het werk van fiscaal controleur. Het is dan ook juist dat appellante, zoals zij heeft gesteld, op het moment dat zij bij besluit van 1 november 2011 werd gesommeerd het werk te hervatten, nog niet wist of de arbeidsdeskundige haar geschikt achtte voor dit werk. Anderzijds blijkt uit de stukken dat appellante pas per 7 november 2011 geacht werd te starten als fiscaal controleur en dat zij tot die datum binnenwerk mocht verrichten. Uit het verslag van het overleg op 3 november 2011 blijkt bovendien dat de teamleider van appellante te kennen heeft gegeven dat hij samen met haar een rooster wilde opstellen om geleidelijk in haar nieuwe werkomgeving te komen. Uit de rapportage van arbeidsdeskundige Mast van 3 november 2011 blijkt voorts dat zij appellante op 25 oktober 2011 heeft medegedeeld dat zij niet meer geschikt werd geacht voor haar werk als handhaver, dat zij daardoor de re-integratiestatus zou krijgen en dat zij zou worden aangemeld bij het re-integratiebedrijf van de gemeente Rotterdam. Uit niets valt af te leiden dat werkgever appellante op wat voor manier dan ook te kennen heeft gegeven dat het voortzetten van het dienstverband afhankelijk was van het hervatten in de functie van fiscaal controleur, en dat er geen sprake zou kunnen zijn van alternatieve functies. Niet kan dan ook worden ingezien dat onder de hiervoor geschetste omstandigheden sprake was van een zodanige dwangpositie dat appellante niet kan worden verweten dat zij ontslag heeft genomen.

4.6.4.

Appellante heeft voorts gesteld dat ook het uit de hand gelopen gesprek op 3 november 2011 in combinatie met haar psychische gesteldheid een omstandigheid is die dient mee te wegen bij de vraag of sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Geoordeeld wordt dat ook in het geval het gesprek op 3 november 2011 uit de hand is gelopen, hetgeen appellante stelt maar niet blijkt uit het gespreksverslag van 3 november 2011, werkgever appellante ook na 3 november 2011 nog diverse keren de mogelijkheid heeft geboden om van haar ontslagverzoek terug te komen. In het verweerschrift heeft het Uwv gesteld dat appellante op het moment dat zij verzocht om ontslagverlening last had van spanningsklachten en psychische beperkingen, maar dat deze niet dusdanig waren dat zij de gevolgen van haar verzoek tot ontslag niet zou hebben kunnen overzien. Dit betoog wordt, mede onder verwijzing naar de rapportage van verzekeringsarts bezwaar en beroep J.W. Heijltjes van

16 augustus 2012, onderschreven.

4.6.5.

Tot slot heeft appellante als relevante omstandigheid genoemd dat er na 3 november 2011 niet meer aan conflictoplossing is gedaan. Dit ligt evenwel in de rede. Nadat appellante immers op 3 november 2011 te kennen had gegeven dat zij overwoog om ontslag te nemen, is een traject ingezet waarin dit (mogelijke) ontslagverzoek centraal stond. Uiteindelijk heeft appellante de keuze gemaakt om een ontslagverzoek in te dienen, hetgeen werkgever heeft ingewilligd.

4.7.

Uit 4.6 volgt dat niet gesteld kan worden dat de ontslagname appellante niet, dan wel niet in overwegende mate, kan worden verweten, zodat het Uwv de ZW-uitkering van appellante terecht bij wijze van maatregel met ingang van 16 december 2011 blijvend en geheel heeft geweigerd.

4.8.

Appellante heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de terugvordering van de betaalde voorschotten op de ZW-uitkering.

4.9.

Het hoger beroep van appellante slaagt niet en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding zal worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en F.M.S. Requisizione en

P.H. Banda als leden, in tegenwoordigheid van R.L Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 april 2016.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) R.L. Rijnen

RB