Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1298

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-04-2016
Datum publicatie
12-04-2016
Zaaknummer
15-4021 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is niet bevoegd kennis te nemen hoger beroep op grond van het gemeentelijke (FGV-)beleid, wel op grond van WMO. Procesbelang ontvallen nadat bij het bestreden besluit alsnog besloten is op de aanvraag. Dit besluit komt niet geheel aan het beroep van appellant tegemoet. Vast staat dat appellant geen aanspraak kan maken op de door hem gevraagde opvang. Feitelijke beschikbaarheid VBL. Rechtmatigheidsoordeel voorbehouden aan staatssecretaris en de Afdeling. Geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 10
Vreemdelingenwet 2000 11
Vreemdelingenwet 2000 64
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:2
Algemene wet bestuursrecht 6:15
Algemene wet bestuursrecht 6:20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2016/852
ABkort 2016/155
JWWB 2016/96
USZ 2016/180
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4021 WMO, 16/464 WMO

Datum uitspraak: 6 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

29 mei 2015, 15/1634 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2016. Voor appellant is

mr. Fischer, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. E.T. ’t Jong.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren in 1987, is afkomstig uit Sierra Leone.

1.2.

Bij brief van 5 februari 2015 heeft appellant het college verzocht om opvang en leefgeld op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) of het gemeentelijk beleid.

1.3.

Bij brief van 21 februari 2015 heeft appellant het college in gebreke gesteld voor het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van 5 februari 2015.

1.4.

Op 16 maart 2015 heeft appellant beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van 5 februari 2015.

1.5.

Bij besluit van 16 april 2015 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover van belang, de aanvraag afgewezen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant niet beschikt over rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), zodat hij op grond van artikel 1.2.2 van de Wmo 2015 in beginsel geen aanspraak op een maatwerkvoorziening kan maken. Voorts is niet gebleken van een zo specifieke combinatie van factoren die maakt dat appellant behoort tot de categorie van kwetsbare personen die gezien artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in het bijzonder recht hebben op bescherming van hun privéleven. Wel heeft het college aan appellant op grond van gemeentelijk beleid een bijdrage van € 450,- per maand uit het Fonds Gevolgen Vreemdelingenwetgeving (FGV) toegekend. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 heeft verzocht en de uitkomst van dat verzoek in Nederland mag afwachten.

1.6.

Op 23 september 2015 heeft het college naar aanleiding van het bezwaar tegen het bestreden besluit een nader besluit genomen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van 5 februari 2015 niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het college ter zitting heeft toegelicht dat appellant inmiddels een bijdrage uit het FGV ontvangt, die bedoeld is om zelf opvang te regelen. Gelet daarop kan appellant met het beroep geen resultaat meer bereiken dat feitelijk voor hem nog van betekenis is.

3. Appellant heeft tegen het besluit van 23 september 2015 beroep ingesteld. De rechtbank heeft dit beroep geregistreerd onder nummer 15/6508 WMO en het beroepschrift nadien op grond van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) naar de Raad doorgezonden.

4. Appellant heeft de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden en – kort samengevat –aangevoerd dat de overweging van de rechtbank dat het procesbelang ontbreekt onjuist is.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

De Raad stelt, onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 26 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3803, en 24 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:622, voorop dat er van mag worden uitgegaan dat een vreemdeling als appellant van opvang in een vrijheidsbeperkende locatie (VBL) gebruik kan maken, dat de opvang in een VBL in het algemeen aangemerkt kan worden als een voldoende voorziening in het bieden van opvang aan deze personen en dat met deze opvang voldoende invulling wordt gegeven aan de uit het internationaal recht voortvloeiende (positieve) verplichting opvang te bieden. De Raad heeft bij dit oordeel betrokken dat met het door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in de uitspraak van 26 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3415, gehanteerde toetsingskader, dat voor zover van belang en kort weergegeven inhoudt dat zich bijzondere omstandigheden kunnen voordoen waarin de staatssecretaris aan het bieden van onderdak in een VBL niet bij voorbaat de voorwaarde mag verbinden dat een vreemdeling meewerkt aan zijn vertrek uit Nederland, recht wordt gedaan aan de verdragsbepalingen van het EVRM en het Europees Sociaal Handvest (ESH), alsmede aan de door het Europees Comité voor Sociale Rechten aan de bepalingen van het ESH gegeven uitleg.

5.2.

In de uitspraak van 26 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3834 heeft de Raad overwogen:

“4.7.1. (…) Nu de Wmo 2015 voorziet in een generieke regeling voor de (maatschappelijke) opvang van dak- en thuislozen en de staatssecretaris verantwoordelijk is voor specifiek opvangrecht voor niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen, leiden overwegingen van rechtszekerheid en het belang van een transparante rechtsmachtverdeling ertoe dat door gemeenten getroffen specifieke opvangvoorzieningen voor niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen op wie het koppelingsbeginsel van toepassing is, niet langer zullen worden aangemerkt als (maatschappelijke) opvang op grond van de Wmo, onderscheidenlijk de Wmo 2015. (…)

4.7.2.

Dit betekent dat primaire besluiten van een college van burgemeester en wethouders ter uitvoering van specifieke regelingen als de bed-bad-broodvoorziening, de Vluchthavenvoorziening en het FGV, die alle specifiek bestemd zijn voor niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen, na 31 december 2014 geen grondslag kunnen vinden in de Wmo 2015. De Raad zal zich uitgaande van de bevoegdheid van de Raad om te oordelen over geschillen op grond van de Wmo 2015, gelet op het vorenstaande en uitgaande van de thans geldende wet- en regelgeving, het daarop gebaseerde beleid en de uitvoeringspraktijk, niet langer bevoegd achten om in hoger beroep kennis te nemen van geschillen over de uitvoering van ten opzichte van de Wmo en de Wmo 2015 buitenwettelijke gemeentelijke opvangregelingen voor niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen.”

5.3.

Voor zover het hoger beroep van appellant zich richt tegen het oordeel van de rechtbank over het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van appellant om opvang en leefgeld op grond van het gemeentelijke (FGV-)beleid volgt uit artikel 6:2 van de Awb en 5.2 dat de Raad niet bevoegd is daarvan kennis te nemen. Het hoger beroepschrift zal, voor zover hiertegen gericht, met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb worden doorgezonden naar de Afdeling.

5.4.

Voor zover het hoger beroep van appellant zich richt tegen het oordeel van de rechtbank over het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van appellant om opvang op grond van de Wmo 2015 is de Raad wel bevoegd daarvan kennis te nemen. De Raad overweegt hierover het volgende.

5.4.1.

Appellant voert terecht aan dat zijn procesbelang niet is komen te ontvallen met het alsnog toekennen van een bijdrage uit het FGV. Met die toekenning is immers geen (toekennend) besluit genomen op zijn aanvraag om opvang op grond van de Wmo 2015. Het procesbelang bij het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag is in beroep echter wel komen te ontvallen nadat het college bij het bestreden besluit alsnog heeft besloten op de aanvraag om opvang op grond van de Wmo 2015. Gesteld noch gebleken is dat appellant ten tijde van de aangevallen uitspraak belang had bij een gegrondverklaring van dat beroep als bedoeld in artikel 6:20, vijfde lid, van de Awb.

5.4.2.

Uit 5.4.1 vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van appellant om opvang op grond van de Wmo 2015 niet-ontvankelijk is verklaard, met verbetering van de rechtsgronden voor bevestiging in aanmerking komt.

5.4.3.

Artikel 6:20, derde lid, van de Awb bepaalt dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking heeft op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Vast staat dat het college tijdens het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van appellant om opvang op grond van de Wmo 2015 het bestreden besluit heeft genomen en dat dit besluit, voor zover dit betrekking heeft op de Wmo 2015, niet aan het beroep van appellant tegemoet komt. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit bij de beoordeling van het beroep had moeten betrekken. De aangevallen uitspraak komt in zoverre dan ook voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 6:20, derde lid, van de Awb. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit beoordelen voor zover dit betrekking heeft op de Wmo 2015. Het bezwaarschrift van 13 mei 2015 wordt als beroepschrift aangemerkt. De Raad zal het besluit van 23 september 2015 aanmerken als een nadere motivering van het bestreden besluit, omdat het college niet bevoegd was op het bezwaar van appellant te beslissen. Het beroep van appellant tegen die nadere motivering zal als nadere gronden van het beroep tegen het bestreden besluit worden aangemerkt.

5.4.4.

Appellant heeft het bestreden besluit – kort gezegd – op de volgende gronden bestreden. Het college heeft ten onrechte geen onderzoek naar een passende maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 gedaan. Appellant heeft gewezen op een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 15 juli 2014 (14/10204). Bij die uitspraak is een verzoek van appellant om een voorlopige voorziening toegewezen in die zin dat een besluit van 2 april 2014, waarbij de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie afwijzend heeft beslist om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000, wordt geschorst en het de Staatssecretaris wordt verboden appellant uit Nederland te (doen) zetten tot op het bezwaar tegen dat besluit is beslist. In verband met deze uitspraak doet appellant een beroep op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 18 december 2014, C-562/13, Abdida (ECLI:EU:C:2014:2453). Appellant heeft betoogd dat hij in exact dezelfde positie verkeert als in dat arrest.

5.4.5.

Niet in geschil is dat appellant op grond van het bepaalde in artikel 1.2.2 van de Wmo 2015 en de artikelen 10 en 11 van de Vreemdelingenwet 2000 geen aanspraak kan maken op de door hem gevraagde opvang. Gelet op wat is overwogen onder 5.1 heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat hij niet gehouden is om op grond van een uit het internationale recht voortvloeiende (positieve) verplichting aan appellant opvang te verstrekken. De beroepsgrond van appellant dat opvang in een VBL van hem niet kan worden gevergd, omdat de daaraan verbonden voorwaarde van medewerking aan vertrek, gelet op de onder 5.4.4 genoemde uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 15 juli 2014, in dit geval niet gesteld kan worden, leidt niet tot een ander oordeel, omdat dit niet afdoet aan de feitelijke beschikbaarheid van de VBL en de beoordeling van de rechtmatigheid van de gestelde voorwaarde is voorbehouden aan de staatssecretaris en – in hoger beroep – uiteindelijk aan de Afdeling. Voor zover appellant met zijn beroep op het arrest van het Hof van 18 december 2014 heeft bedoeld dat de VBL, gelet op zijn medische problematiek, voor hem niet adequaat is te achten, geldt dat ook deze beoordeling aan de staatssecretaris en – uiteindelijk – aan de Afdeling is voorbehouden. Onder deze omstandigheden ziet de Raad geen aanleiding in de onderhavige zaak prejudiciële vragen te stellen.

5.4.6.

Uit het voorgaande volgt dat de Raad het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond zal verklaren voor zover dit besluit betrekking heeft op de Wmo 2015.

6. Gelet op wat is overwogen in 5.4.3 bestaat er aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 992,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van appellant om opvang en leefgeld op grond van het gemeentelijke (FGV-)beleid;

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag om opvang op grond van de Wmo 2015 niet-ontvankelijk is verklaard;

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij niet is beslist op het beroep tegen het besluit van 16 april 2015 voor zover dat betrekking heeft op de Wmo 2015 en verklaart het beroep tegen dat besluit in zoverre ongegrond;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en L.M. Tobé en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 april 2016.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) D. van Wijk

UM