Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1271

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-04-2016
Datum publicatie
11-04-2016
Zaaknummer
14/1759 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag. Niet duurzaam gescheiden leven. Vertrek partner niet onbekende bestemming + reden.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2016/146
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1759 WWB

Datum uitspraak: 5 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

11 februari 2014, 13/3600 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Helmond (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A. Knopper, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2016. Namens appellante is

mr. Knopper verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R. van Dijk.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante was ten tijde hier van belang gehuwd met [naam ex-partner] (ex-partner) met wie zij vier kinderen heeft. Appellante heeft zich op 17 april 2012 gemeld bij het Werkplein Regio Helmond (werkplein) voor het aanvragen van bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Op 19 april 2012 heeft een medewerker van werkplein een telefonisch intakegesprek met appellante gevoerd, waarin appellante heeft verklaard dat haar ex-partner sinds twee weken is vertrokken, dat zij niet weet waar haar ex-partner is en dat zij sinds die tijd in feite een alleenstaande ouder is. Op 15 mei 2012 heeft appellante tegenover een medewerker van werkplein verklaard dat haar ex-partner na de verlating haar nog wel heeft gebeld en dat zij aan het telefoonnummer kon zien dat de ex-partner vanuit Turkije belde, maar dat ze niet weet waar hij precies in Turkije verblijft.

1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag heeft het college op 7 augustus 2012 een onderzoek ingesteld. In dat kader heeft een handhavingsmedewerker dossieronderzoek verricht, de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens geraadpleegd, in de periode van 8 tot en met 15 augustus 2012 waarnemingen verricht bij de woning van appellante en op 14 en

23 augustus 2012 een huisbezoek afgelegd in haar woning en daar gesproken met appellante. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage preventie van 23 augustus 2012.

1.3.

Bij besluit van 23 augustus 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 april 2013 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen. De besluitvorming berust op de overweging dat appellante niet duurzaam gescheiden leeft van haar ex-partner. Appellante kan daarom niet worden aangemerkt als zelfstandig subject van bijstand.

1.4.

Naar aanleiding van een nieuwe aanvraag om bijstand heeft het college aan appellante met ingang van 1 oktober 2012 bijstand toegekend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen. Appellante heeft op 20 september 2012 haar ex-partner 'in onderzoek' laten zetten bij burgerzaken en pas vanaf 1 oktober 2012 in verband met diverse toeslagen doorgegeven dat de ex-partner geen deel meer uitmaakt van het gezin. Op 8 oktober (lees: november) 2012 heeft appellante verzocht de huurovereenkomst op haar naam te zetten. Appellante heeft bovendien op 8 augustus 2012 verzocht om verlenging van haar verblijfsvergunning 'voor verblijf bij haar echtgenoot'. In haar bezwaarschrift heeft appellante te kennen gegeven dat zij, na een lange periode van onzekerheid waarin zij niet wilde scheiden maar ook niet wist of haar ex-partner nog terug zou keren, heeft besloten echtscheiding aan te vragen. Voorts heeft appellante bij haar nieuwe aanvraag om bijstand van 1 oktober 2012 vermeld dat zij haar ex-partner niet eerder heeft laten uitschrijven, omdat zij nog niet wilde scheiden en eerst wilde zien of haar ex-partner terug zou komen. Appellante had daarom pas eind september 2012 de intentie om duurzaam gescheiden van haar ex-partner te leven. Appellante heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat haar ex-partner in de periode in geding een leven heeft geleid als ware hij niet meer met appellante gehuwd.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij voert aan dat niet haar handelwijze van doorslaggevende betekenis is voor de vraag of partijen duurzaam gescheiden van elkaar leven, maar die van haar ex-partner. Uit het plotselinge maar definitieve vertrek van haar ex-partner naar Turkije en het door hem niet meer financieel bijdragen aan het gezin kan worden afgeleid dat haar ex-partner heeft ingezet op een gewilde verbreking van de echtelijke samenleving. Hiermee kiest de ex-partner ervoor om zijn eigen leven te leiden als ware hij niet meer gehuwd met appellante en deze toestand was door hem als bestendig bedoeld, aangezien hij niet de bedoeling had om terug te keren naar Nederland.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 17 april 2012 tot en met 23 augustus 2012.

4.2.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 30 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO6538) is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld. Dit zal moeten blijken uit de feitelijke omstandigheden van het geval. De omstandigheden die tot een bepaalde leefvorm hebben geleid, de motieven van betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie zijn daarbij niet van belang.

4.3.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellante pas eind september 2012 de bedoeling had om duurzaam gescheiden van haar ex-partner te leven. Verwezen wordt naar de overwegingen van de rechtbank, zoals hiervoor in 2 samengevat weergegeven.

4.4.

Anders dan ten aanzien van appellante bieden de onderzoeksbevindingen onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat ook de ex-partner niet de bedoeling heeft gehad om duurzaam gescheiden te leven van appellante. Daarvoor komt zwaarwegende betekenis toe aan de bevindingen van de op 14 en 23 augustus 2012 afgelegde huisbezoeken aan de woning van appellante en van de waarnemingen die van 8 tot en met 15 augustus 2012 zijn verricht. Bij de waarnemingen is de ex-partner niet gezien. Bij [naam K] huisbezoek op

14 augustus 2012 zijn, behoudens administratieve stukken, geen persoonlijke spullen van de ex-partner aangetroffen. Weliswaar heeft appellante uit eigen beweging gemeld dat zich nog enkele kledingstukken van haar ex-partner in haar woning bevonden, maar in het verslag van het huisbezoek wordt vermeld dat in de kledingkasten slechts dameskleding werd aangetroffen. Op grond van dit huisbezoek is geconcludeerd dat de ex-partner niet bij appellante verbleef. Het huisbezoek op 23 augustus 2012 is verricht naar aanleiding van een signaal dat de ex-partner op dat moment in Nederland zou verblijven. Ook toen is vastgesteld dat de ex-partner niet bij appellante verbleef. De bevindingen van de huisbezoeken bieden verder geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de ex-partner na zijn vertrek in april 2012 nog bij appellante heeft verbleven.

4.5.

Verder blijkt uit een brief van de Stichting Woonpartners van 4 mei 2012, een kwitantie van 30 juli 2012 van genoemde stichting en een brief van het Centraal Justitieel Incassobureau over de verschuldigdheid van een bestuursrechtelijke premie voor de Zorgverzekeringswet dat de ex-partner in gebreke is gebleven met de betaling van de huur onderscheidenlijk de zorgpremie. Voorts hebben [naam K], [naam O] en [naam C] verklaard dat zij appellante in de te beoordelen periode geld hebben geleend tot een bedrag van in totaal € 1.750,-. Uit deze gegevens kan worden afgeleid dat de ex-partner de financiële ondersteuning van appellante heeft gestaakt.

4.6.

Uit wat in 4.4 en 4.5 is overwogen volgt dat de feitelijke omstandigheden onvoldoende aanknopingspunten bieden voor de conclusie van het college dat de ex-partner in de te beoordelen periode nog niet de bedoeling heeft gehad om duurzaam gescheiden te leven van appellante. Dat appellante heeft verklaard dat zij haar ex-partner een enkele keer telefonisch heeft gesproken en ook tijdens haar zomervakantie in Turkije een keer heeft gesproken, doet hier niet aan af. De verklaring van appellante dat deze gesprekken over de opvoeding van de kinderen gingen is niet onaannemelijk.

4.7.

Uit 4.6 vloeit voort dat appellante en haar ex-partner in de te beoordelen periode duurzaam gescheiden hebben geleefd en dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en niet berust op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Aangezien aan het besluit van 23 augustus 2012 hetzelfde gebrek kleeft als aan het bestreden besluit en, gelet op het tijdsverloop, niet te verwachten valt dat het college dit gebrek nog kan herstellen, zal de Raad zelf in de zaak voorzien door het besluit van

23 augustus 2012 te herroepen voor zover het betreft de weigering om per 17 april 2012 bijstand te verlenen en te bepalen dat appellante per die datum bijstand wordt verleend naar de norm voor een alleenstaande ouder.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 992,- in beroep en € 992,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal derhalve € 1.984,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 23 april 2013;

- herroept het besluit van 23 augustus 2012 en bepaalt dat appellante met ingang van 17 april

2012 bijstand wordt verleend naar de norm voor een alleenstaande ouder;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 23 april 2013;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.984,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 166,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 april 2016.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) M.S. Boomhouwer

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip duurzaam gescheiden leven.

HD