Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1260

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-04-2016
Datum publicatie
11-04-2016
Zaaknummer
15/4194 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terechte weigering nog langer ontheffing te verlenen. Mate WAO niet bepalend. Zorgvuldig advies. Maatwerk nog niet te leveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4194 WWB

Datum uitspraak: 5 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

30 april 2015, 14/10753 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Gouda (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.J.M. van Daalhuizen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Daalhuizen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

K. Henning.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 29 januari 1999 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Daarnaast ontvangt appellant aanvullende bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 1 december 2011 is appellant tot 28 november 2013 ontheven van alle arbeidsverplichtingen als bedoeld in

artikel 9, eerste lid, van de WWB.

1.2.

In het kader van een rechtmatigheidsonderzoek heeft het college appellant uitgenodigd voor een gesprek op 26 maart 2014. Tijdens het gesprek is gebleken dat appellant op dat moment een WAO-uitkering ontvangt naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%. Naar aanleiding hiervan heeft het college A-REA verzocht een medisch en arbeidsdeskundig belastbaarheidsonderzoek bij appellant te verrichten. Appellant is daartoe uitgenodigd voor een gesprek op 11 april 2014 bij een arts en op 29 april 2014 bij een arbeidsdeskundige van A-REA. De bevindingen van het medisch en arbeidsdeskundig belastbaarheidsonderzoek zijn neergelegd in een advies van 29 april 2014.

1.3.

Naar aanleiding van het advies van A-REA heeft het college bij besluit van 12 mei 2014 aan appellant per dezelfde datum weer expliciet de arbeidsverplichtingen opgelegd, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB.

1.4.

Bij het besluit dat is verzonden op 14 oktober 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 12 mei 2014 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 9, eerste lid, van de WWB zijn de verplichtingen tot arbeidsinschakeling opgenomen. Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de WWB kan het college, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de verplichtingen als bedoeld in het eerste lid.

4.2.

De mededeling dat de verplichtingen genoemd in artikel 9, eerste lid, van de WWB weer onverkort van toepassing zijn, moet worden gekwalificeerd als een impliciete weigering om ten aanzien van appellant nog langer ontheffing te verlenen met toepassing van artikel 9, tweede lid, van de WWB.

4.3.

Vaststaat dat de eerder aan appellant verleende ontheffing van de arbeidsverplichtingen op 28 november 2013 is afgelopen. Gelet op vaste rechtspraak (uitspraak van 24 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2281) en mede gelet op artikel 18, eerste lid, van de WWB heeft het college bij het heronderzoek in maart 2014 dan ook terecht bezien of aanleiding bestaat om de arbeidsverplichtingen (opnieuw) aan de bijstand te verbinden. De stelling van appellant dat zijn situatie sinds 2011 niet is veranderd staat daaraan niet in de weg.

4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat het college bij het heronderzoek ten onrechte is uitgegaan van zijn WAO-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%, omdat zijn arbeidsongeschiktheid door nieuwe medische klachten is toegenomen en in werkelijkheid 45-55% bedraagt. Deze beroepsgrond slaagt niet. Nog daargelaten dat appellant zijn standpunt niet heeft onderbouwd aan de hand van concrete (medische) stukken, is de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van zijn WAO-uitkering niet bepalend voor de vraag of (gedeeltelijke) ontheffing moet worden verleend van de arbeidsverplichtingen op grond van de WWB. De toetsingskaders van de WAO zijn immers anders dan die van de WWB. In het kader van de WWB wordt uitsluitend beoordeeld of de betrokkene in staat is om algemeen geaccepteerde arbeid te verrichten. De vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de WAO is daarbij niet van belang.

4.5.

Appellant heeft verder aangevoerd dat het college zijn besluitvorming niet op het advies van A-REA van 29 april 2014 heeft kunnen baseren. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Het advies voldoet aan de daarvoor geldende eisen van zorgvuldigheid. Anders dan appellant stelt, blijkt uit het advies dat de arts appellant lichamelijk heeft onderzocht. De arts heeft de medische beperkingen van appellant vastgesteld. Op basis hiervan heeft de arbeidsdeskundige appellant belastbaar geacht voor regulier werk, maar nog niet direct bemiddelbaar naar de arbeidsmarkt. Gelet op de lange duur van de werkloosheid en de grote afstand tot de arbeidsmarkt acht de arbeidsdeskundige een periode van arbeidsgewenning noodzakelijk. Verder adviseert hij om appellant te ondersteunen bij het zoeken naar passende werkzaamheden.

4.6.

Het betoog van appellant dat in het bestreden besluit onvoldoende maatwerk is geleverd omdat de opgelegde arbeidsverplichtingen niet zijn geïndividualiseerd, faalt. Het bestreden besluit betreft uitsluitend de weigering van het college om appellant van de arbeidsmogelijkheden en daarop toegespitste verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB te ontheffen. Op grond van de WWB bestaat geen verplichting om een concrete invulling van de arbeidsverplichtingen reeds onderdeel te laten uitmaken van een besluit over de ontheffing van de arbeidsverplichtingen. Het college zal daarover nog een besluit moeten nemen. In dat kader zal het college op appellant toegesneden maatwerk moeten leveren en daarbij uitdrukkelijk rekening moeten houden met het advies van A-REA over het in aanmerking nemen van een periode van arbeidsgewenning en over de trajectbegeleiding.

4.7.

Uit 4.3 tot en met 4.6 volgt dat het college bij het besluit van 12 mei 2014 heeft kunnen weigeren om appellant vanaf die datum ontheffing te verlenen van de arbeidsverplichtingen. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 april 2016.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD