Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1256

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-03-2016
Datum publicatie
08-04-2016
Zaaknummer
14/970 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling bedrijfsongeval. Geen dienstongeval. Er is geen sprake van het oefenen van de uitvoering van oorlogstaken onder oorlog nabootsende omstandigheden. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat niet gezegd kan worden dat het ongeval is veroorzaakt door een schending van de zorgplicht door de minister.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2016/93
ABkort 2016/168
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/970 MAW, 15/4279 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van

9 januari 2014, 13/7539 (aangevallen uitspraak 1) en 30 april 2015, 14/8239 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K. Kromhout hoger beroepen ingesteld.


De minister heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2016. Namens appellant is

mr. Kromhout verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.E.P. van Zandbergen en H.A.L. Knoben.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam bij de Koninklijke Landmacht in de rang van [naam rang] . Op 10 mei 2012 heeft hij deelgenomen aan een tweedaagse bergtocht in Bad Reichenhall (hierna: bergtocht of oefening). Tijdens deze bergtocht is hij bij een afdaling in de sneeuw uitgegleden en op zijn rechterhand gevallen (hierna: ongeval). Op dat moment droeg hij naast zijn eigen bepakking bagage van een collega die uitgeput was, in totaal ongeveer 40 kilo. Appellant heeft de bergtocht na het ongeval voortgezet en heeft zich op

12 mei 2012 in Nederland gemeld bij een militair arts, die heeft geconstateerd dat het vierde middenhandsbeentje van de rechterhand was gebroken. Van het ongeval is op 14 augustus 2012 een proces-verbaal van ongeval (proces-verbaal) opgemaakt.

1.2.

Bij besluit van 18 maart 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 augustus 2013 (bestreden besluit 1), heeft de minister het ongeval aangemerkt als een bedrijfsongeval en niet als een dienstongeval, omdat niet aan de voorwaarde is voldaan dat de oefening/bergtocht onder buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden is uitgevoerd.

1.3.

Op 23 augustus 2013 heeft appellant de minister aansprakelijk gesteld omdat de minister zijn zorgplicht zou hebben geschonden. Bij besluit van 14 maart 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 juli 2014 (bestreden besluit 2), heeft de minister geen aansprakelijkheid erkend en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

2.1.

De rechtbank heeft bij aangevallen uitspraak 1 het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Daarbij is, samengevat, overwogen dat de oefening gezien moet worden als een grensverleggende activiteit met als oogmerk de (fysieke en) mentale weerbaarheid te vergroten. Er is geen sprake van het oefenen van de uitvoering van oorlogstaken onder oorlogsnabootsende omstandigheden. Voor zover de Arbo-wetgeving tijdens de bergtocht van toepassing was, rechtvaardigt eventuele schending van deze wetgeving nog niet de conclusie dat dus sprake was van buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden. Ook indien sprake zou zijn geweest van een medische beoordelingsfout waardoor direct medisch handelen achterwege is gebleven, leidt dat nog niet tot de conclusie dat het ongeval moet worden aangemerkt als dienstongeval.

2.2.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de minister zijn zorgplicht niet heeft geschonden door toe te laten dat appellant een uitgeputte collega heeft geholpen door het grootste deel van haar bepakking over te nemen. Weliswaar is aannemelijk dat het dragen van deze extra bepakking de kans op een val heeft vergroot, maar in het kader van de doelstelling van de oefening was dit risico niet dermate groot dat de minister het overnemen van de bepakking niet heeft mogen toelaten. Ook is de minister niet tekortgeschoten in zijn zorgplicht door het dragen van sneeuwschoenen niet te verplichten en door appellant na het ongeval de afdaling te laten voltooien en hem niet direct naar een ziekenhuis te laten vervoeren.

3. Appellant heeft op hierna te bespreken gronden hoger beroepen ingesteld. De minister heeft bevestiging van de aangevallen uitspraken bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Aangevallen uitspraak 1: is er sprake van een dienstongeval?

4.1.

De rechtbank heeft in aangevallen uitspraak 1, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 18 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG9497), met juistheid overwogen dat het toetsingskader voor het vaststellen van de eventuele invaliditeitsaanspraken van appellant met name wordt gevormd door artikel 2, derde en volgende leden, van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen (Besluit AO/IV). Artikel 2 van het Besluit AO/IV maakt onderscheid tussen arbeidsongeschiktheid met dienstverband enerzijds (eerste lid) en invaliditeit met dienstverband anderzijds (derde lid). De minister stelt zich op het standpunt dat in het geval van appellant sprake is van arbeidsongeschiktheid met dienstverband (als gevolg van een bedrijfsongeval), maar niet van invaliditeit met dienstverband (als gevolg van een dienstongeval). Om van invaliditeit met dienstverband te kunnen spreken moet er - voor zover hier van belang - sprake zijn van een invaliditeit van ten minste 10% ten gevolge van verwonding, ziekten of gebreken, die zijn veroorzaakt door de uitoefening van de militaire dienst in geval van buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden.

4.2.

In geschil is of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat geen sprake is geweest van buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden. Meer specifiek is in geschil of de bergtocht moet worden aangemerkt als “het onder oorlogsnabootsende omstandigheden in praktijk brengen van theoretisch onderwezen bekwaamheden teneinde aldus de bedrevenheid in het uitvoeren van oorlogstaken te verwerven, op te voeren of te onderhouden, voor zover sprake is van een verhoogd risico”, zoals bedoeld in artikel 2, zesde lid, onder a, van het Besluit AO/IV.

4.3.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4349) is voor het oefenen onder buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden kenmerkend dat de desbetreffende oorlogstaak wordt gedaan onder nabootsing van bijzondere omstandigheden, zoals die zich bij daadwerkelijk operationeel optreden in een oorlogssituatie kunnen voordoen en waarbij deze bijzondere omstandigheden een verhoogd risico op verwonding of letsel met zich meebrengen. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat, bij beschouwing van het oogmerk en van de concrete omstandigheden van de bergtocht, van buitengewone omstandigheden in genoemde zin geen sprake is geweest.

4.3.1.

Het oogmerk van de bergtocht is blijkens het proces-verbaal als volgt beschreven: “Personeel dient het maximale uit zichzelf en de groep te halen bij het doorlopen van het programma om zo grenzen, zowel fysiek als mentaal, te verleggen. Na uitvoering van de oefening dient personeel elkaar beter te kennen en is de fysieke en mentale weerbaarheid van elk individu en van de eenheid als geheel vergroot.” Niets in deze omschrijving duidt erop dat beoogd is bijzondere, met een oorlogssituatie te vergelijken, omstandigheden na te bootsen.

4.3.2.

Ook de concrete omstandigheden tijdens de bergtocht, waarop appellant heeft gewezen, met name het tillen van een bepakking van 40 kilo, het niet dragen van sneeuwschoenen, en het na zijn val twee dagen doorlopen met een gebroken hand, zijn naar het oordeel van de Raad niet van die aard dat van een oorlogsnabootsende situatie gesproken kan worden.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3.2. volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 niet slaagt.

De uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

Aangevallen uitspraak 2: is er sprake van schending van de zorgplicht?

4.5.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad, waarnaar de rechtbank heeft verwezen (uitspraak van 22 juni 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AB0072), heeft het bestuursorgaan tegenover de ambtenaar een zorgplicht. Deze houdt in dat het bestuursorgaan de werkzaamheden van de ambtenaar zodanig moet inrichten en voor het verrichten daarvan zodanige maatregelen moet treffen en aanwijzingen moet geven als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. De ambtenaar heeft recht op vergoeding van deze schade, ook voor zover rechtspositionele regelingen daarin niet voorzien. Geen recht op vergoeding bestaat indien het bestuursorgaan aantoont dat het zijn zorgplicht is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar.

4.6.

Met de rechtbank stelt de Raad vast dat niet in geschil is dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de val van appellant en de breuk van het vierde middenhandsbeentje van de rechterhand van appellant. Evenmin is in geschil dat het ongeval niet een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van appellant.

4.7.

Met de rechtbank wordt voorts geoordeeld dat niet gezegd kan worden dat het ongeval is veroorzaakt door een schending van de zorgplicht door de minister. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.7.1.

De Raad kan appellant niet volgen in zijn stelling dat het ongeval is veroorzaakt door overtreding van de maximale tilnorm van 23 kilo, waarnaar in de Nota van Toelichting bij het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt verwezen. Nog daargelaten dat deze norm, zoals de rechtbank heeft overwogen, veeleer ziet op het in verticale richting verplaatsen van objecten, en niet op het dragen van een rugzak, stelt de Raad vast dat blijkens het proces-verbaal het ongeval niet is veroorzaakt door dat dragen, maar door het uitglijden van appellant over een steen die onder de sneeuw lag.

4.7.2.

De minister heeft voorts aangetoond dat hij niet is tekortgeschoten door het dragen van sneeuwschoenen niet te verplichten. Daarbij is van belang dat sneeuwschoenen primair zijn bedoeld om niet weg te zakken in de sneeuw en niet specifiek om uitglijden te voorkomen (onder bepaalde omstandigheden wordt de kans op uitglijden zelfs vergroot) en voorts dat de groep van appellant en een andere groep die dezelfde route liep, werden begeleid door ervaren instructeurs, die de route tevoren hadden verkend en op basis van hun ervaring en de omstandigheden ter plaatse hadden geconcludeerd dat het niet noodzakelijk was sneeuwschoenen te dragen. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat deze conclusie in redelijkheid door de instructeurs kon worden getrokken.

4.7.3.

De stelling van appellant dat de zorgplicht is geschonden doordat hij na de dag van het ongeval nog een dag met een gebroken hand heeft moeten doorlopen, wordt evenmin gevolgd. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft appellant niet kenbaar gemaakt dat hij de tocht niet kon voortzetten. Integendeel, hij heeft er zelf voor gekozen om door te gaan, terwijl hij ook met de lift had kunnen afdalen. Ook was het zijn keuze om zich vervolgens niet in Duitsland te laten behandelen maar in Nederland. Bovendien heeft hij gesteld dat zijn medische situatie niet is verergerd door de verlate behandeling.

4.8.

Uit 4.5 tot en met 4.7.3 volgt dat ook het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 niet slaagt. Deze uitspraak komt eveneens voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken 1 en 2.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en J.J.A. Kooijman en M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2016.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) S.W. Munneke

HD