Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1254

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-03-2016
Datum publicatie
08-04-2016
Zaaknummer
15/1725 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de beoordeling niet in stand kan blijven omdat deze noch een potentieel deel noch een uitspraak over de verwachte geschiktheid bevat terwijl deze eisen wel worden gesteld in onderdeel 4 van de uitvoeringsafspraken. De Raad volgt appellant daarin niet omdat een potentieel beoordeling en/of een oordeel over de verwachte geschiktheid ook separaat kan worden vastgesteld. Appellant had op grond van artikel 9 van de Regeling ontwikkelingsgerichte gesprekkencyclus politie regio om een dergelijke loopbaanuitspraak kunnen verzoeken. Appellant heeft tegen de beoordeling als zodanig geen gronden naar voren gebracht.

Vernietiging uitspraak. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren voor zover het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard en het bestreden besluit in zoverre vernietigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2016/159
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 1725 AW

Datum uitspraak: 31 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

19 februari 2015, 14/1971 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft S.A.J.T. Hoogendoorn hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 14/5661 AW, plaatsgevonden op

3 september 2015. Appellant is, met bericht, niet verschenen. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.A.C. Theunissen.

Na de zitting is het onderzoek heropend. In de gevoegde zaak 14/5661 AW is het onderzoek voortgezet.

Partijen hebben toestemming gegeven om een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is als politieambtenaar aangesteld bij de voormalige politieregio [politieregio A], laatstelijk in de functie van [naam functie A] ([functie A]).

1.2.

Op 16 november 2010 is een beoordeling opgemaakt van het functioneren van appellant in de periode van 9 december 2009 tot 16 november 2010. De door de beoordelingsautoriteit op 11 maart 2011 vastgestelde beoordeling is, op verzoek van appellant, op 16 mei 2014 aan hem verzonden.

1.3.

Appellant heeft op 22 mei 2014 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 maart 2011 en daarbij aangevoerd dat dit besluit moet worden vernietigd omdat in de beoordeling geen potentieel deel is opgenomen over de competenties en taken van de naasthogere [functie A]-functie en omdat het besluit geen uitspraak bevat over de verwachte geschiktheid van appellant voor de [naam functie B].

1.4.

Bij besluit van 23 juni 2014 (bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar tegen het besluit van 11 maart 2011 primair niet-ontvankelijk en subsidiair ongegrond verklaard.

De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar berust op de grond dat de beoordeling in rechte vaststaat. Aan de ongegrondverklaring ligt ten grondslag dat appellant met betrekking tot de beoordeling van 11 maart 2011 geen beroep kan doen op (punt 9 van) de uitvoeringsafspraken loopbaanbeleid [functie A] van 24 april 2013 (uitvoeringsafspraken).

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant terecht heeft aangevoerd dat het besluit niet op de voorgeschreven wijze aan hem is bekendgemaakt en dat dit besluit daarmee gelet op artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in werking is getreden. Blijkens de stukken was appellant het eens met de beoordeling, is de beoordeling voor akkoord getekend en heeft appellant tegen de beoordeling geen bedenkingen ingebracht, zodat de beoordelingsautoriteit op grond van artikel 7 (lees: 6, zevende lid) van de Regeling ontwikkelingsgerichte gesprekkencyclus politie regio [politieregio A] (Regeling) de beoordeling ongewijzigd diende vast te stellen. Gelet hierop moet worden aangenomen dat appellant wist dan wel redelijkerwijs kon weten dat die vaststelling had plaatsgevonden en hij op dat moment geen aanleiding heeft gezien om de korpschef om toezending daarvan te vragen. Door dit stilzitten van appellant kon hij zich drieënhalf jaar nadat hij zelf met die beoordeling had ingestemd niet meer met recht beroepen op het feit dat de vastgestelde beoordeling niet op een juiste wijze is bekendgemaakt en stond voor hem na ontvangst van de vastgestelde beoordeling niet alsnog de mogelijkheid van bezwaar daartegen open.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Op grond van artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt deze termijn aan op de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen.

3.2.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar primair niet-ontvankelijk verklaard. De Raad acht deze niet-ontvankelijkverklaring onjuist. Het besluit van 11 maart 2011 is op 16 mei 2014 aan appellant door toezending aan zijn gemachtigde bekendgemaakt. Appellant heeft tijdig, namelijk op 22 mei 2014, bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Dat appellant het eens was met de beoordeling en ook geen bedenkingen heeft ingebracht bij de beoordelingsautoriteit doet aan de ontvankelijkheid van zijn bezwaar niet af. Ook het tijdsverloop tussen het moment van vaststelling van de beoordeling en de bekendmaking ervan kan niet aan appellant worden tegengeworpen.

3.3.

Het bestreden besluit kan dus in zoverre niet in stand blijven. Over de vraag of het bezwaar bij dat besluit (subsidiair) terecht ongegrond is verklaard overweegt de Raad het volgende.

3.4.

Als uitwerking van het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector politie 2005-2007 hebben de Minister van Veiligheid en Justitie en de politievakorganisaties op 9 september 2010 overeenstemming bereikt over de tweede tranche van de landelijk te harmoniseren arbeidsvoorwaarden politie (HAP II). Deze afspraken zijn vastgelegd in de op 1 november 2010 in werking getreden circulaire Harmonisatie arbeidsvoorwaarden politie tweede tranche (Stcrt. 2010, 19782, circulaire).

3.5.

Een onderdeel van de harmonisatieafspraken is het in bijlage 6 van de circulaire opgenomen “Loopbaanbeleid van assistent A tot en met [naam functie B] binnen de [functie A]” (loopbaanbeleid). In die bijlage zijn de afspraken vastgelegd over de mogelijkheden tot doorstroming van ambtenaren binnen de [functie A] naar een volgend niveau of volgende functie. Voor de doorstroming van [naam functie C] (schaal 7) naar [naam functie B] (schaal 8) is onder meer als vereiste gesteld dat sprake is van “vakmanschap blijkend uit een recente beoordeling boven de norm met daarin opgenomen verwachte geschiktheid voor [naam functie B]”. Vermeld is dat het loopbaanbeleid vanaf 1 november 2010 geldt voor alle medewerkers bij de Nederlandse Politie, dat de Raad van korpschefs i.o. zich aan de circulaire heeft geconformeerd en dat het bevoegd gezag deze circulaire dient te volgen, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet. In april 2013 heeft de Commissie voor georganiseerd overleg in politie-ambtenarenzaken de uitvoeringsafspraken vastgesteld.

3.6.

Onderdeel 4 van de uitvoeringsafspraken luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“(…) De beoordeling bestaat uit enerzijds een regulier deel dat betrekking heeft op tot de [functie A]-functie schaal 7 behorende competenties en taken, en anderzijds een potentieel deel dat betrekking heeft op de competenties en taken van de naasthogere [functie A]-functie schaal 8 én een uitspraak bevat over de verwachte geschiktheid. (…).”

3.7.

Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Regeling wordt een loopbaanuitspraak gedaan ten aanzien van de medewerker waarvan de reële verwachting bestaat dat hij in beschouwing kan worden genomen voor een naar verwachting binnen afzienbare tijd vrijkomende functie (met eenzelfde of hoger schaalniveau) in de organisatie van het bevoegd gezag. In het licht hiervan bepaalt het bevoegd gezag ten minste twee keer per jaar wie in het betreffende kalenderjaar in aanmerking komt voor het doen van een loopbaanuitspraak. In artikel 9, tweede lid, van de Regeling is, voor zover van belang, bepaald dat een medewerker, die niet tot de in het eerste lid genoemde groep behoort, het bevoegd gezag met redenen omkleed kan verzoeken om een loopbaanuitspraak, waarbij hij tevens aangeeft op welke wijze zijn belang in redelijkheid hiermee gediend is of geschaad wordt door het ontbreken van een loopbaanuitspraak. Een afwijzing van het verzoek wordt aan de medewerker schriftelijk en gemotiveerd meegedeeld.

3.8.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de beoordeling niet in stand kan blijven omdat deze noch een potentieel deel noch een uitspraak over de verwachte geschiktheid bevat terwijl deze eisen wel worden gesteld in onderdeel 4 van de uitvoeringsafspraken. De Raad volgt appellant daarin niet omdat een potentieelbeoordeling en/of een oordeel over de verwachte geschiktheid ook separaat kan worden vastgesteld. Appellant had op grond van artikel 9 van de Regeling om een dergelijke loopbaanuitspraak kunnen verzoeken. Appellant heeft tegen de beoordeling als zodanig geen gronden naar voren gebracht.

3.9.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren voor zover het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard en het bestreden besluit in zoverre vernietigen. Voor het overige zal het beroep ongegrond worden verklaard.

4. Er bestaat aanleiding de korpschef te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 496,- in beroep en op € 496,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 23 juni 2014 gegrond voor zover het bezwaar

niet-ontvankelijk is verklaard en vernietigt dat besluit in zoverre;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 23 juni 2014 voor het overige ongegrond;

- bepaalt dat de korpschef aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 413,- vergoedt;

- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.N.A. Bootsma en M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2016.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) B. Fotchind

HD