Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1247

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2016
Datum publicatie
08-04-2016
Zaaknummer
14/4144 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging nabestaandenuitkering. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv heeft de signaleringen op de diverse beoordelingspunten in de geselecteerde voorbeeldfuncties alsnog voldoende gemotiveerd. Omdat eerst in hoger beroep een deugdelijke arbeidskundige onderbouwing is gegeven voor het bestreden besluit is de conclusie dat dit besluit niet deugdelijk was gemotiveerd, zodat dit besluit in zoverre in strijd is met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Omdat appellante hierdoor niet wordt benadeeld, zal onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb de schending van artikel 7:12 van die wet worden gepasseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4144 ANW

Datum uitspraak: 25 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

18 juni 2014, 14/656 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.M. Bonsen-Lemmers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

De Svb heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2016. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Bonsen-Lemmers. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O.F.M. Vonk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is geboren [in] 1959. Op 24 november 2009 is haar echtgenoot overleden. In verband hiermee heeft de Svb bij besluit van 15 juli 2010 met ingang van november 2009 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) aan appellante toegekend. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellante een, destijds, minderjarig kind heeft.

1.2.

Bij besluit van 16 juli 2010 heeft de Svb appellante medegedeeld dat de haar toegekende nabestaandenuitkering eindigt na 31 oktober 2010 omdat haar jongste kind op 9 oktober 2010 de leeftijd van 18 jaar bereikt. Omdat appellante destijds op haar aanvraag heeft vermeld meer dan 45% arbeidsongeschikt te zijn zal de mate van haar arbeidsongeschiktheid worden beoordeeld. Na onderzoek en advies door Cliënt First heeft de Svb bij besluit van 25 augustus 2010 vastgesteld dat appellante voor meer dan 45% arbeidsongeschikt is.

1.3.

In verband met een heronderzoek is appellante op verzoek van de Svb onderzocht door een verzekeringsarts van het Uwv. Die verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 24 april 2013 vermeld dat de psychische toestand van appellante is verbeterd. Er zijn geen duidelijke aanwijzingen voor ernstige psychiatrische stoornissen/beperkingen. Bij lichamelijk onderzoek is voorts een licht pijnlijke rechterschouder geconstateerd. De mogelijkheden en beperkingen van appellante voor het verrichten van arbeid zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft vervolgens aan de hand van geselecteerde voorbeeldfuncties in zijn rapport van 25 april 2013 berekend dat appellantes mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 45% is.

1.4.

. Het Uwv heeft de Svb bij brief van 1 mei 2013 bericht dat de conclusie van het onderzoek is dat appellante minder dan 45% arbeidsongeschikt is.

1.5.

Bij besluit van 20 juni 2013 heeft de Svb de nabestaandenuitkering van appellante met ingang van 1 september 2013 beëindigd omdat zij niet langer aan de voorwaarden voor het ontvangen van een nabestaandenuitkering voldoet.

1.6.

Naar aanleiding van het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv in een rapport van 28 november 2013

te kennen gegeven dat de primaire verzekeringsarts de beperkingen van appellante voor het verrichten van arbeid op adequate wijze heeft vastgesteld en dat voldoende rekening is gehouden met de klachten aan de rechterschouder, de fibromyalgie en de psychische klachten. De hielspoorklachten en de klachten aan de linkerschouder zijn ontstaan na de datum in geding. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in een rapport van 5 december 2013 vermeld dat er geen aanleiding is om af te wijken van de conclusie van de primaire arbeidsdeskundige.

1.7.

Bij besluit van 12 december 2013 (bestreden besluit) heeft de Svb vastgesteld dat het door het Uwv uitgevoerde medisch onderzoek heeft voldaan aan de vereisten inzake betrouwbaarheid, objectiviteit, toetsbaarheid, consistentie en reproduceerbaarheid en dat de rapporten daarom ter motivering van het besluit van 20 juni 2013 mochten worden gebruikt. Omdat het bezwaar van appellante geen aanleiding was om het medisch oordeel te wijzigen is het bezwaar tegen het besluit 20 juni 2013 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep evenals in beroep bij de rechtbank aangevoerd dat haar medische beperkingen zijn onderschat en dat de door haar ingebrachte medische informatie onvoldoende is meegewogen. Uit de door haar in beroep ingebrachte medische stukken blijkt dat zij lijdt aan complexe medische klachten die de deelname aan het arbeidsproces onmogelijk maken. Zij heeft betoogd dat haar behandelend artsen haar hebben geadviseerd belasting zoveel mogelijk te beperken. Recent is zij door de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek vrijgesteld van de sollicitatieplicht.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1.

Op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de ANW heeft de nabestaande die arbeidsongeschikt is recht op een nabestaandenuitkering. Het begrip arbeidsongeschiktheid is nader gedefinieerd in artikel 11 van de ANW. Artikel 11 van de Anw luidt:

“1. Arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid 55% te verdienen van hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

2. In het eerste lid wordt onder de eerstgenoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe die persoon met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.”

Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de ANW eindigt het recht op uitkering, indien niet langer aan de voorwaarden van artikel 14, eerste lid, aanhef en onderdeel b, wordt voldaan, tenzij de nabestaande is geboren voor 1 januari 1950.

4.2.

Zoals overwogen in de uitspraak van 23 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA1702, heeft de wetgever met deze bepaling kennelijk beoogd aan te sluiten bij de omschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid in de arbeidsongeschiktheidswetten en ligt het dan ook voor de hand bij de toepassing van artikel 11 van de ANW zo mogelijk aansluiting te zoeken bij de regelgeving en de rechtspraak betreffende het begrip arbeidsongeschiktheid in die wetten. Dit zal bijvoorbeeld niet mogelijk zijn waar bij het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten van de bepalingen van de arbeidsongeschiktheidswetten wordt afgeweken, nu de Anw voor een dergelijke afwijking geen basis kent. Voorts dienen bij de toepassing van artikel 11 van de Anw doel en strekking van deze wet als uitgangspunt te gelden. In zijn beleidsregel Arbeidsongeschiktheid, SB1018, heeft de Svb in overeenstemming met de rechtspraak van de Raad als uitgangspunt geformuleerd dat de autonome vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Anw wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek overeenkomstig de vereisten van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.

4.3.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen geen aanleiding te zien het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten, dan wel de uitkomst daarvan onjuist te achten. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat de informatie van de behandelend artsen van appellante is betrokken bij het onderzoek. In de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep geaccordeerde FML is rekening gehouden met beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren, dynamische handelingen en statische houdingen. Voorts is appellante onder meer beperkt geacht voor trilbelasting van de rechterschouder en wat betreft de werktijden. Uit de door appellante ingebrachte medische stukken is niet af te leiden dat haar beperkingen door de verzekeringsartsen onjuist zijn vastgesteld. Uit deze informatie is evenmin af te leiden dat zij belasting dient te vermijden.

In de brief van de sociaal psychiatrisch verpleegkundige van GGZ Duin- en Bollenstreek van

17 maart 2014 is vermeld dat de behandeling wordt beëindigd en dat er naast paniekklachten lichte depressieve klachten resteren. Appellante is in deze brief geadviseerd om binnen de eerstelijnszorg de hiervoor geëigende hulp aan te gaan. Op grond van deze laatste brief kan, in tegenstelling tot wat appellante heeft betoogd, niet worden geconcludeerd dat er ten tijde van geding meer beperkingen zijn dan door de verzekeringsartsen zijn vastgesteld. Temeer nu in een brief van 2 juli 2013 van dezelfde sociaalpsychiatrisch verpleegkundige wordt gesproken van enige herstel en minder last van ptss en paniekklachten. Verder blijkt uit informatie van de reumatoloog van 14 maart 2014 dat appellante op 20 januari 2012 voor het laatst is gezien. Er zijn in 2011 bij radiologisch onderzoek aan de handen geen afwijkingen gezien en de diagnose fibromyalgie wordt bevestigd. De orthopedisch chirurg heeft appellante na een schouderoperatie op 22 juli 2011 niet meer gezien en spreekt van normalisering van de schouderfunctie in een brief van 12 maart 2014. Voorts heeft de rechtbank met juistheid met betrekking tot het feit dat appellante ontheven is van de sollicitatieplicht in het kader van de Wet werk en bijstand overwogen dat de beoordeling die tot dat besluit heeft geleid een andere is dan de hier in geding zijnde arbeidsongeschiktheidsbeoordeling.

4.4.

Uitgaande van de juistheid van de vaststelling van de functionele mogelijkheden van appellante is er geen reden om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de voor appellante geselecteerde functies. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv heeft in het rapport van 28 januari 2016 de signaleringen op de diverse beoordelingspunten in de geselecteerde voorbeeldfuncties alsnog voldoende gemotiveerd.

4.5.

Omdat eerst in hoger beroep een deugdelijke arbeidskundige onderbouwing is gegeven voor het bestreden besluit is de conclusie dat dit besluit niet deugdelijk was gemotiveerd, zodat dit besluit in zoverre in strijd is met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Omdat appellante hierdoor niet wordt benadeeld, zal onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb de schending van artikel 7:12 van die wet worden gepasseerd. Het bestreden besluit kan dus in stand worden gelaten en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd met verbetering van gronden.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2016.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) V. van Rij

NK