Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1242

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-04-2016
Datum publicatie
07-04-2016
Zaaknummer
14/3933 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Geen twijfel aan het inzichtelijk gemotiveerde standpunt van de verzekeringsarts. Geen twijfel aan de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0327
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3933 WIA

Datum uitspraak: 1 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 2 juni 2014, 13/4360 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Kortekaas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2016. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

OVERWEGINGEN

1.1

Appellante was werkzaam als medewerkster toerisme, toen zij zich op 9 oktober 2008 voor dit werk ziek meldde met psychische klachten, namelijk angstklachten. Bij besluit van 13 oktober 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante per 7 oktober 2010 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat zij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.2.

Appellante heeft zich op 12 april 2011 ziek gemeld in verband met toegenomen psychische klachten.

1.3.

Op 19 januari 2013 heeft appellante in verband met deze toegenomen klachten (opnieuw) een aanvraag op grond van de Wet WIA ingediend. In verband hiermee heeft het Uwv verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht.

1.4.

Bij besluit van 14 maart 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante per 12 april 2011 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat zij per die datum (nog steeds) minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.5.

Bij besluit van 24 juni 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 14 maart 2013 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep, onder verwijzing naar wat in beroep is aangevoerd, herhaald dat zij ten onrechte niet in aanmerking is gebracht voor een WIA-uitkering.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is een herhaling van wat zij in beroep heeft betoogd. De rechtbank heeft deze gronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat de desbetreffende gronden niet slagen. Met de rechtbank wordt tot het oordeel gekomen dat het bestreden besluit berust op een zorgvuldig medisch onderzoek. Daartoe is van belang dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellante heeft gezien tijdens de hoorzitting, dossierstudie heeft verricht en informatie van de huisarts en van de psychiater bij zijn beoordeling heeft betrokken. Van belang is verder dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op de hoogte is van de door appellante gestelde toegenomen angstklachten. De verzekeringsarts heeft aangenomen dat sprake is van een toename van de beperkingen van appellante, voortkomend uit dezelfde ziekteoorzaak, als bedoeld in artikel 55 van de Wet WIA, en de beperkingen neergelegd in een nieuwe Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 27 februari 2013. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gesteld dat uit de in bezwaar ingebrachte informatie, althans die informatie die ziet op de datum in geding, niet valt op te maken dat per 12 april 2011 nog meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen. Daarbij heeft deze arts gesteld dat op grond van informatie van de psychiater een toename van de beperkingen pas is vast te stellen per november 2012.

4.2.

Er bestaan geen aanknopingspunten tot twijfel aan dit inzichtelijk gemotiveerde standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Appellante heeft noch in beroep, noch in hoger beroep, medische informatie overgelegd op grond waarvan getwijfeld zou moeten worden aan dit standpunt.

4.3.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 27 februari 2013 wordt met de rechtbank evenmin aanleiding gezien te twijfelen aan de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies. Daaruit volgt dat, ondanks de toename van de beperkingen, appellante per 12 april 2011 (nog steeds) minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

4.4.

Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter, en P. Vrolijk en L. Koper als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2016.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) L.H.J. van Haarlem

MO