Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1235

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-04-2016
Datum publicatie
07-04-2016
Zaaknummer
14/6622 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. De verzekeringsarts heeft inzichtelijk gemaakt welke informatie hij bij zijn beoordeling heeft betrokken. De conclusie van zijn rapport volgt logisch uit zijn beschouwingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0329
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6622 ZW

Datum uitspraak: 6 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

24 oktober 2014, 14/1039 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Smeets, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. R.M.M. Menting, kantoorgenoot van mr. Smeets. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J.M.H. Lagerwaard.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft zich op 19 november 2012 met rug- en nekklachten bij haar werkgever ziek gemeld voor haar werkzaamheden als schoonmaakster van kantoorpanden gedurende 12,5 uren per week. De arbeidsovereenkomst met haar werkgever, die was aangegaan voor de duur van een jaar, is op 6 mei 2013 geëindigd. Het Uwv heeft appellante met ingang van

7 mei 2013 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

Verzekeringsartsen van het Uwv hebben appellante op het spreekuur gezien en informatie verkregen van de huisarts en een geriater, die appellante op verzoek van de huisarts had onderzocht. Bij onderzoek van appellante op 17 januari 2014 heeft W.M.J. van Rijen, arts van het Uwv, vastgesteld dat appellante ondanks haar klachten met ingang van 20 januari 2014 weer in staat wordt geacht om als schoonmaakster werkzaam te zijn. Bij besluit van 17 januari 2014 heeft het Uwv de ZW-uitkering met ingang van 20 januari 2014 beëindigd.

1.3.

Appellante heeft tegen het besluit van 17 januari 2014 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 24 februari 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard en zijn beslissing tot beëindiging van de ZW-uitkering gehandhaafd. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 18 februari 2014 ten grondslag.

2. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft dit beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv een zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de arbeidsongeschiktheid van appellante op 20 januari 2014 en dat het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep de getrokken conclusie kan dragen dat appellante op 20 januari 2014 weer in staat was tot het verrichten van werkzaamheden als schoonmaakster gedurende 12,5 uren per week. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep kenbaar onder meer de bevindingen van de huisarts en de geriater bij de beoordeling heeft betrokken.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat zij in verband met haar rugklachten, die onbehandelbaar zouden zijn, niet kan werken. Volgens haar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aan de gegevens vanuit de behandelend sector onvoldoende aandacht besteed en nagelaten om met haar machtiging meer informatie te verkrijgen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt volgens het Uwv duidelijk op welke gronden hij zijn opvatting over de arbeidsgeschiktheid van appellante heeft gebaseerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het wettelijk kader en voor de uitleg die in de rechtspraak wordt gegeven aan “zijn arbeid” als bedoeld in artikel 19 van de ZW, wordt verwezen naar overwegingen 6 en 7 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

Appellante heeft in hoger beroep geen medische gegevens ingebracht.

4.3.1.

Ter beantwoording is de vraag of de rechtbank tot een juist oordeel over de besluitvorming door het Uwv is gekomen. Die vraag wordt bevestigend beantwoord.

4.3.2.

Appellante had ook in beroep geen medische gegevens ingebracht. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 18 februari 2014 inzichtelijk heeft gemaakt welke informatie (die deels in het dossier aanwezig was en deels bij zijn eigen onderzoek is verkregen) hij bij zijn beoordeling heeft betrokken. De conclusie van zijn rapport - erop neerkomend dat beëindiging van de ZW-uitkering medisch gezien te handhaven is - volgt logisch uit zijn beschouwing van de gezondheidstoestand van appellante. In die beschouwing is gemotiveerd uiteengezet dat de rugklachten noch de aanwezige dysthyme klachten aan werkhervatting in de weg staan.

4.3.3.

Appellante wordt niet gevolgd in haar opvatting dat de heroverweging in bezwaar is tekortgeschoten omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op zijn brief aan de huisarts van appellante geen inhoudelijk antwoord had gekregen. De bevindingen van de huisarts waren immers bij het Uwv bekend met de uitgebreide brief van de huisarts van 22 januari 2014, die appellante bij haar bezwaarschrift had gevoegd.

4.4.

Het hoger beroep van appellante slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Appellante heeft gevraagd om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente. Bij deze uitkomst in hoger beroep is voor toewijzing van wettelijke rente geen ruimte.

6. Er is geen aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 april 2016.

(getekend) M. Greebe

(getekend) J.W.L. van der Loo

HD