Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1233

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-04-2016
Datum publicatie
07-04-2016
Zaaknummer
14/6663 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. De verzekeringsarts heeft inzichtelijk gemotiveerd dat op grond van het waargenomen beeld niet langer arbeidsongeschiktheid kon worden aangenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0334
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6663 ZW

Datum uitspraak: 6 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

29 oktober 2014, 14/6848 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2016. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.M.H. Visser.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als ICT-medewerker. Hij heeft zich op 1 oktober 2010 ziek gemeld bij zijn werkgever in verband met klachten van uitgebreide psoriasis en reactieve psychische klachten. Het dienstverband met de werkgever is op 1 januari 2011 geëindigd en het Uwv heeft appellant met ingang van die datum in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

Uit de gegevens in het dossier blijkt dat het Uwv de ZW-uitkering per verschillende data heeft beëindigd omdat appellant tot werkhervatting in staat werd geacht, maar appellant ook opnieuw in de ZW heeft geaccepteerd. Met ingang van 12 juni 2012 is appellant in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), nadat was vastgesteld dat appellant geen uitkering kon krijgen op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

1.3.

Vanuit de situatie dat hij een WW-uitkering ontving die in verband met het bereiken van de maximale duur op 13 november 2013 zou eindigen, heeft appellant zich op 7 november 2013 opnieuw ziek gemeld bij het Uwv. Na afloop van de WW-uitkering heeft het Uwv appellant - aanvankelijk op voorschotbasis - uitkering verstrekt op grond van de ZW.

1.4.

Appellant is op 12 juni 2014 onderzocht door een verzekeringsarts van het Uwv die bij zijn onderzoek uitgebreide huidafwijkingen heeft vastgesteld, die niet zodanig ernstig zijn dat appellant daardoor ongeschikt is voor zijn eigen werk. De psychische klachten heeft de verzekeringsarts geduid als een aanpassingsstoornis die evenmin een belemmering vormt om arbeid te verrichten.

1.5.

Bij besluit van 13 juni 2014 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant met ingang van diezelfde datum beëindigd.

1.6.

Appellant heeft tegen het besluit van 13 juni 2014 bezwaar gemaakt. Bij besluit van

15 juli 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard en zijn beslissing tot beëindiging van de ZW-uitkering gehandhaafd. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 juli 2014 ten grondslag.

2. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft dit beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanleiding is om het medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep dan wel de uitkomst daarvan onjuist te achten. Er is op adequate wijze onderzoek gedaan naar de lichamelijke en psychische klachten van appellant. Daaruit is naar voren gekomen dat de klachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor het verrichten van arbeid wisselend van aard zijn en dat het beeld op de in geding zijnde datum van 13 juni 2014 relatief rustig was. Uit de brief van de dermatoloog-immunoloog van 1 juli 2014 kan volgens de rechtbank niet worden afgeleid dat het Uwv in de beoordeling is tekortgeschoten.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat de artsen van het Uwv de ernst van de psoriasis en van zijn psychische problematiek hebben onderschat. Hij heeft een ZW-uitkering nodig om de rust te vinden die nodig is om een nieuwe behandeling te ondergaan.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft erop gewezen dat uit de brief van de dermatoloog-immunoloog niet volgt dat tijdens een nieuwe behandeling sprake is van arbeidsongeschiktheid of dat het verrichten van arbeid aan die behandeling in de weg zou staan.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het wettelijk kader en voor de uitleg die in de rechtspraak wordt gegeven aan “zijn arbeid” als bedoeld in artikel 19 van de ZW, wordt verwezen naar overweging 5 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe gegevens van behandelend artsen ingebracht.

4.3.1.

Ter beantwoording is de vraag of de rechtbank tot een juist oordeel over de besluitvorming door het Uwv is gekomen. Die vraag wordt bevestigend beantwoord.

4.3.2.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 14 juli 2014 - in navolging van de verzekeringsarts in zijn rapport van 12 juni 2014 - inzichtelijk heeft gemotiveerd dat op grond van het waargenomen beeld met ingang van 13 juni 2014 niet langer arbeidsongeschiktheid kon worden aangenomen. Zowel aan de beperkingen als gevolg van de huidklachten als aan de vraag of de aanpassingsstoornis appellant belet het werk te hervatten is aandacht besteed. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich tot een onderzoek op grond van de in het dossier aanwezige stukken beperkt, omdat appellant te kennen had gegeven niet op een spreekuur van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te zullen verschijnen.

4.3.3.

Omdat, zoals appellant ter zitting heeft toegelicht, de beperkingen als gevolg van de psoriasis wisselend toe- en afnamen al naar gelang de ingezette medicatie, is zeer wel denkbaar dat enige tijd na 13 juni 2014 opnieuw een situatie is ontstaan waarin sprake was van onmogelijkheid van appellant om in arbeid te functioneren. Daaraan kan, anders dan appellant meent, niet worden ontleend dat het Uwv ten onrechte heeft beslist dat op 13 juni 2014 van ongeschiktheid van appellant in de zin van artikel 19 van de ZW geen sprake was.

4.4.

Het hoger beroep van appellant slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 april 2016.

(getekend) M. Greebe

(getekend) J.W.L. van der Loo

JvC