Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1230

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-04-2016
Datum publicatie
07-04-2016
Zaaknummer
14/4190 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om toelating tot de maatschappelijke opvang terecht afgewezen. Niet gebleken van een situatie van dakloosheid of concrete dreiging van dakloosheid. Appellante kon zich bij Dienst Terugkeer en Vertrek melden teneinde voor opvang in een gezinsopvanglocatie in aanmerking te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4190 WMO

Datum uitspraak: 6 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 12 juni 2014, 13/7573 en 14/2491 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Çakici-Reinders, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2016. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H.E. Benjamins.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante, geboren [in] 1977, heeft de Ghanese nationaliteit. Zij is op 27 april 2005 naar Nederland gekomen om bij haar toenmalige partner te verblijven. Op 25 januari 2008 is haar zoon geboren. Ten tijde in dit geding van belang hadden appellante en haar zoon geen rechtmatig verblijf in Nederland.

1.2.

Op 3 april 2013 heeft appellante het college verzocht om maatschappelijke opvang voor haar en haar zoon als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

1.3.

Bij brief van 14 juni 2013, door het college ontvangen op 17 juni 2013, heeft appellante het college in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag.

1.4.

Bij besluit van 2 juli 2013 heeft het college de aanvraag van appellante om maatschappelijke opvang afgewezen. Daarnaast heeft het college vastgesteld dat binnen de wettelijke termijn na de ingebrekestelling van 14 juni 2013 is beslist en dat er geen dwangsommen zijn verbeurd.

1.5.

Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 juli 2013 is bij besluit van

11 november 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat appellante en haar zoon feitelijk niet dakloos zijn. Daarnaast kon appellante zich met haar zoon melden bij de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) zodat zij in een gezinsopvanglocatie (GOL) konden worden opgevangen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat niet aannemelijk is gemaakt dat appellante en haar zoon dakloos zijn. De zoon woont bij de zus van appellante. Appellante heeft het gezag over haar zoon en kan contact met hem hebben wanneer zij dat wil. Dat zij gescheiden van elkaar leven, levert geen schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op. Voorts heeft het college terecht de GOL van DT&V aangemerkt als voorliggende voorziening. Van appellante mag worden verwacht dat zij zich tot DT&V wendt om opvang te verkrijgen.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat zij recht heeft op de minimale basisvoorzieningen die nodig zijn om een menswaardig bestaan te kunnen leiden. Verder is opvang in een GOL door DT&V geen voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 2 van de Wmo.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 4 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1884) loopt bij een aanvraag als hier aan de orde de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel van de datum van de aanvraag tot en met de datum van de beslissing op bezwaar. In dit geval betekent dit dat de periode van belang de periode van 3 april 2013 tot en met

11 november 2013 betreft.

4.2.

Het verzoek om toelating tot de maatschappelijke opvang van appellante dateert van vóór 24 februari 2014, zodat, onder verwijzing naar de uitspraken van 16 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2444, en 26 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3834, ter beoordeling van de aanspraken van appellante nog het recht van toepassing is, zoals dat gold voor de uitspraken van 4 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1995, en 26 november 2015.

4.3.

Gedurende de periode in dit geding van belang is niet gebleken van een situatie van dakloosheid of concrete dreiging van dakloosheid bij appellante en haar zoon. Appellante heeft in die periode verbleven op verschillende adressen bij vrienden en kennissen en haar zoon verbleef bij de zus van appellante. Het college heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat de noodzaak ontbrak om appellante en haar zoon toe te laten tot de maatschappelijke opvang.

4.4.

In zijn uitspraak van 20 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW8957, heeft de Raad geoordeeld dat indien in het concrete geval vaststaat dat een betrokkene gebruik kan maken van voorzieningen in een GOL of een VBL in redelijkheid niet kan worden volgehouden dat de weigering van het college opvang te bieden, geen blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van opvang en de particuliere belangen van betrokkene. In zijn uitspraak van 26 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:138, heeft de Raad daaraan toegevoegd dat van een betrokkene onder bepaalde omstandigheden verlangd kan worden dat hij zich bij de staatssecretaris meldt om gebruik te maken van de voorzieningen die in een GOL of een VBL ter beschikking staan.

4.5.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat appellante zich bij DT&V kon melden teneinde voor opvang in een GOL in aanmerking te komen. Het college heeft appellante daar terecht op gewezen. De omstandigheid dat appellante om haar moverende redenen geen gebruik wenst te maken van de opvang in een GOL, dient voor haar risico te komen en doet niet af aan de feitelijke beschikbaarheid ervan. Gelet hierop kan in redelijkheid niet worden volgehouden dat de weigering van het college appellante maatschappelijke opvang te bieden, geen blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die opvang en de particuliere belangen van appellante om tot de opvang te worden toegelaten.

4.6.

Wat appellante verder heeft aangevoerd, kan niet leiden tot een vernietiging van de aangevallen uitspraak.

4.7.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 april 2016.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) B. Dogan

UM