Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1218

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-03-2016
Datum publicatie
11-04-2016
Zaaknummer
14-6670 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Niet meewerken huisbezoek. Geen zwaarwegend belang voor het niet meewerken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6670 WWB

Datum uitspraak: 29 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 14 november 2014, 14/1596 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.W. Weehuizen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2016. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. K.W.H. Hulsen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 29 juli 2013 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Uit de relatie van appellante en [Naam B] (B) zijn drie kinderen geboren. Appellante staat samen met haar kinderen ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans basisregistratie personen) op het adres [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres).

1.2.

Naar aanleiding van het vermoeden dat appellante met B een gezamenlijke huishouding voert, hebben medewerkers van het Team Handhaving van de gemeente ‘s-Hertogenbosch een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Daartoe hebben de medewerkers het facebook-account van appellante geraadpleegd en in de periode van 11 oktober 2013 tot en met 21 november 2013 waarnemingen in de omgeving van het uitkeringsadres verricht. Op 21 november 2013 hebben de medewerkers, nadat beide op naam van B staande auto’s direct voor de woning van appellante zijn waargenomen, om

7.55

uur aangebeld bij het uitkeringsadres om een onaangekondigd huisbezoek af te leggen. Appellante heeft geweigerd aan het huisbezoek mee te werken. De bevindingen van het onderzoek zijn vastgelegd in een rapport van 5 december 2013.

1.3.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 5 december 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 april 2014 (bestreden besluit), de bijstand van appellante met ingang van 21 november 2013 in te trekken en de over de periode van 21 november 2013 tot en met 30 november 2013 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 345,48 van appellante terug te vorderen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante niet heeft meegewerkt aan het huisbezoek, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante op de hierna te bespreken gronden aangevoerd dat het college haar ten onrechte heeft tegengeworpen dat zij heeft geweigerd om mee te werken aan een huisbezoek.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 11 april 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA2436) kunnen aan het niet meewerken aan een huisbezoek eerst gevolgen worden verbonden (in de vorm van het weigeren, beëindigen of intrekken van de bijstand) indien voor dat huisbezoek een redelijke grond bestaat.

4.2.

Van een redelijke grond voor een huisbezoek is sprake als voorafgaand aan - dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dat en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en het bijstandverlenend orgaan deze gegevens niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kan verifiëren.

4.3.

Uit het onderzoek naar het in 1.2 genoemde facebook-account van appellante is gebleken dat zij de achternaam van B gebruikt en door derden Madame B werd genoemd. Vervolgens heeft een medewerker van het Team Handhaving in de periode van 11 oktober 2013 tot en met 21 november 2013 waarnemingen verricht in de omgeving van het uitkeringsadres. In deze periode zijn beide op naam van B geregistreerde auto’s zeventien keer voor of naast de woning van appellante waargenomen. Op de dag van het huisbezoek stonden beide auto’s van B met beslagen ramen direct voor de woning van appellante geparkeerd.

4.4.

Het college heeft onder deze omstandigheden redelijkerwijs kunnen twijfelen aan de juistheid of volledigheid van de door appellante verstrekte gegevens over haar woon- en leefsituatie. Het betoog van appellante dat van de waarnemingen geen deugdelijke schriftelijke stukken aanwezig zijn, leidt niet tot een ander oordeel. In het onder 1.2 genoemde, door een medewerker van het team Handhaving opgemaakte en ondertekende, rapport van 5 december 2013 zijn de bevindingen van de waarnemingen samengevat weergegeven. Een tweede medewerker van het team Handhaving heeft de bevindingen van de waarnemingen neergelegd in een schriftelijke en ondertekende verklaring van 7 februari 2014. Appellante heeft in haar beroepschrift aan de rechtbank erkend dat B zijn auto ook voor haar deur parkeert. Dit betekent dat de in het rapport van 5 december 2013 en de verklaring van

7 februari 2014 weergegeven waarnemingen overeenkomen met de verklaring van appellante. De stelling van appellante dat B zijn auto’s bij haar woning parkeert omdat parkeren daar gratis is en omdat hij vrienden in de buurt bezoekt, maakt niet dat het college naar aanleiding van het aantreffen van beide auto’s van B voor of naast haar woning niet kon twijfelen aan de juistheid of volledigheid van de door appellante verstrekte gegevens over haar woonsituatie. In dit geval bestond daarom een redelijke grond voor het afleggen van het onaangekondigde huisbezoek op 21 november 2013.

4.5.

Appellante heeft voorts aangevoerd dat het tijdstip van het afleggen van het huisbezoek vóór 8.00 uur in strijd is met de eigen uitgangspunten van het college. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat het college een werkinstructie hanteert voor huisbezoeken, waarin is vermeld dat huisbezoeken doorgaans tijdens kantooruren plaatsvinden. Onder kantooruren kan volgens het college worden verstaan de uren tussen 8.00 uur en 18.00 uur. Het college heeft ter zitting toegelicht dat in de werkinstructie als uitgangspunt is neergelegd dat de huisbezoeken niet te veel overlast mogen veroorzaken en daarom in beginsel niet in de voor nachtrust bestemde tijd plaatsvinden. Van de werkinstructie kan worden afgeweken en de medewerkers hebben in dit geval bij het bepalen van het tijdstip rekening gehouden met het

feit dat er schoolgaande kinderen waren. De aanvang van het huisbezoek om 7.55 uur is daarom niet in strijd met de door het college gehanteerde uitgangspunten.

4.6.

Appellante heeft verder aangevoerd dat zij op het tijdstip van het huisbezoek bezig was met haar kinderen die begeleiding nodig hadden en dat zij die ochtend een afspraak in het ziekenhuis had. Uit het door appellante overgelegde patiëntbericht blijkt echter niet dat appellante de ochtend van het huisbezoek een afspraak in het ziekenhuis had, zodat het college terecht daaraan voorbij is gegaan. Dat zij met de kinderen bezig was, omdat zij naar school moesten, is niet van zodanig zwaarwegend belang dat om die reden het belang van het college om op dat moment de woon- en leefsituatie van appellante te verifiëren behoefde te wijken. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht overwogen dat appellante de rapporteurs ook had kunnen meedelen tot hoe laat zij maximaal de tijd had voor het huisbezoek, waartegen appellante niets heeft ingebracht. Voorts hebben de medewerkers aan appellante meegedeeld welke gevolgen een weigering om het huisbezoek toe te staan zouden hebben voor haar recht op bijstand.

4.7.

Door de weigering van appellante haar medewerking te verlenen aan het huisbezoek kon de woonsituatie en daarmee het recht op bijstand niet worden vastgesteld, zodat het college bevoegd was tot intrekking van de bijstand met ingang van 21 november 2013.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en G.M.G. Hink en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2016.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) J.L. Meijer

HD