Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1216

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-03-2016
Datum publicatie
11-04-2016
Zaaknummer
14-4973 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Verzwegen bankrekeningen met saldi. Recht niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4973 WWB

Datum uitspraak: 29 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 19 augustus 2014, 13/6290 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Wageningen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.T.G. van Engelen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Engelen. Als tolk is verschenen K.P. Woo. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.M.J. Borgart.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant en zijn echtgenote [naam echtgenote] (H) ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden over de periodes van 13 juli 2007 tot en met 31 augustus 2008, van 23 februari 2009 tot en met 31 januari 2010 en van 31 mei 2011 tot en met 31 oktober 2012.

1.2.

Nadat een consulent Inkomen van de gemeente Wageningen op 21 november 2012 bij raadpleging van Suwinet had geconstateerd dat appellant en H een groot aantal bankrekeningen hebben (gehad), die bij het college niet bekend waren, heeft de sociale recherche Ede (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant en H verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek gedaan, de belastingdienst en de SNS Bank om inlichtingen verzocht, appellant en H schriftelijk om bankgegevens verzocht en appellant viermaal gehoord. Uit het onderzoek kwam naar voren dat appellant en H tijdens de periodes waarin zij bijstand ontvingen, beschikten over vele bankrekeningen bij verschillende banken - betaalrekeningen, spaarrekeningen en depositorekeningen - waarop aanzienlijke saldi stonden en transacties met grote bedragen hebben plaatsgevonden - overboekingen, opnames, contante stortingen - en dat appellant niet alle bankafschriften had overgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 7 maart 2013.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

13 maart 2013 de bijstand over de onder 1.1 vermelde periodes in te trekken en bij besluit van 25 maart 2013 de over die periodes gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van

€ 23.740,94 van appellant en H terug te vorderen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant en H de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door meerdere bankrekeningen te verzwijgen waarop aanzienlijke saldi hebben gestaan. Appellant en H hebben niet alle bankafschriften overgelegd en geen inzage gegeven in de geldstromen op de bankrekeningen. Hierdoor is het recht op bijstand over de betreffende periodes niet vast te stellen.

1.4.

Bij besluit van 6 september 2013 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar van appellant voor zover het de periode van 13 juli 2007 tot en met 31 augustus 2008 betreft gegrond verklaard en het besluit van 25 maart 2013 in zoverre herroepen. Voor zover het betreft de periodes van 23 februari 2009 tot en met 31 januari 2010 en van 31 mei 2011 tot en met 31 oktober 2012 (periodes in geding), heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 25 maart 2013 ongegrond verklaard. Bij besluit van 24 september 2013 (bestreden besluit 2) heeft het college de over deze periodes gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 13.088,97 van appellant en H teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft hierbij een grote hoeveelheid bankafschriften van verschillende bankrekeningen overgelegd. Volgens appellant is aan de hand van deze en de al eerder verstrekte (bank)gegevens het recht op bijstand over de periodes in geding wel vast te stellen. Hierbij moet worden betrokken dat appellant in 2008 € 110.000,- van zijn schoonouders heeft geleend om een horecabedrijf te kopen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Een besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandsverlenend orgaan is om de nodige kennis te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op het bestuursorgaan rust.

4.2.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

4.3.

Uit het onderzoek van de sociale recherche en uit de door appellant overgelegde bankafschriften blijkt dat hij en H in de periodes in geding meer dan tien bankrekeningen op hun naam hadden staan die zij niet aan het college hebben gemeld. Niet in geschil is dat appellant en H in strijd met de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben gehandeld door van deze bankrekeningen geen melding te maken bij het college.

4.4.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.5.1.

Appellant is hierin niet geslaagd. Hij heeft weliswaar een groot aantal bankafschriften van de verschillende op zijn naam en op naam van H staande bankrekeningen overgelegd, maar ook in hoger beroep ontbreken nog steeds diverse bankafschriften, terwijl hij bovendien onvoldoende inzicht heeft gegeven in de geldstromen op deze bankrekeningen.

4.5.2.

Zo heeft appellant geen afschriften overgelegd van de rekening van de SNS-Bank met nummer 82.21.28.306 (SNS-rekening), welke bankrekening in de periode van 21 november 2008 tot en met 1 november 2009 op zijn naam heeft gestaan. Uit de wel door appellant overgelegde afschriften van de ING-betaalrekening met nummer 82.301.95 (ING-rekening) blijkt dat op deze bankrekening op 3 november 2009 een bedrag van € 33.664,- is bijgeschreven van de SNS-rekening. Hieruit kan worden afgeleid dat op de SNS-rekening in dat jaar voor een bepaalde duur een aanzienlijk saldo heeft gestaan. De bankafschriften van deze bankrekening met vermelding van de mutaties en saldi, zijn dan ook onmiskenbaar van belang voor het vaststellen van het recht op bijstand. Het betoog van appellant dat hij niet redelijkerwijs over deze bankafschriften kan beschikken, slaagt niet. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij de SNS Bank om bankafschriften heeft gevraagd. Hij heeft slechts een brief van de SNS Bank overgelegd waaruit blijkt dat hij heeft gevraagd wanneer voormelde rekening is gesloten.

4.5.3.

Voorts ontbreken bankafschriften van de verschillende depositorekeningen die zijn geopend en gesloten gedurende de periode in geding, onder andere bij NIBC Direct. Het enkel overleggen van saldo-informatie geeft onvoldoende inzicht in de geldstromen die op deze rekeningen hebben plaatsgevonden. Ook van een tweetal bankrekeningen van de

ABN AMRO met nummer [rekeningnummer A] en nummer [rekeningnummer 4] ontbreken bankafschriften vanaf respectievelijk 30 maart 2012 en 29 juni 2012.

4.5.4.

Uit de afschriften van de ING-rekening blijkt dat in de periodes in geding overboekingen van en naar een Plusrekening en een Toprekening hebben plaatsgevonden. Van deze Plus- en Toprekening zijn geen bankafschriften overgelegd. Verder vonden op de ING-rekening geldtransacties met grote bedragen plaats van en naar andere bankrekeningen op naam van appellant en H en naar bankrekeningen van derden, en vonden stortingen en geldopnames plaats. Zo zijn bijvoorbeeld op deze rekening naast de in 4.5.2 genoemde bijschrijving van € 33.664,- ook op 11 mei 2009 bedragen van € 500,- en van € 4.400,- bijgeschreven van de Plusrekening en de Toprekening en is bijvoorbeeld op 3 november 2009 een bedrag van € 39.910,41 bijgeschreven van een andere ING-bankrekening op naam van appellant en H. Op 16 juli 2009 is een bedrag van € 1.000,- gestort op de ING-rekening en er zijn substantiële bedragen van deze rekening contant opgenomen, onder meer op 3 juni 2009, 5 juni 2009 en 5 november 2009 van respectievelijk € 10.000,-, € 10.300,- en € 12.000,-. Appellant heeft geen of onvoldoende duidelijkheid kunnen verschaffen waar dit geld vandaan kwam en waar het naartoe is gegaan. De stelling van appellant ter zitting, dat in verschillende periodes geld contant van en naar China is gebracht in verband met een lening van zijn schoonouders, heeft appellant niet onderbouwd met concrete verifieerbare bewijzen, zodat de Raad daaraan voorbij gaat.

4.6.

Uit 4.3 tot en met 4.5.4 volgt dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft gegeven over zijn financiële situatie in de periodes in geding en daarom niet aannemelijk heeft gemaakt dat, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, hij over die periodes recht op bijstand zou hebben gehad. De Raad is dan ook met de rechtbank en het college en anders dan appellant van oordeel dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Dit betekent dat hier buiten beschouwing kan blijven of eind 2008 sprake was van een lening van de schoonouders van appellant van € 110.000,- waardoor het vermogen onder de voor appellant geldende vermogensgrens zou zijn gebleven.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en G.M.G. Hink en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2016.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) J.L. Meijer

HD