Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1214

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-03-2016
Datum publicatie
11-04-2016
Zaaknummer
14/5111 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terechte intrekking en terugvordering. Verzwegen gezamenlijke huishouding. Voldaan aan vereisten. De rechtbank heeft geen aanleiding hoeven zien om zonder concreet aanbod getuigen te horen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2016/160
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5111 WWB

Datum uitspraak: 29 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 30 juli 2014, 13/3629 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] (appellante) en [appellant] (appellant) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. A.M.T.C. Plantaz, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Plantaz die ook appellante vertegenwoordigt. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Merken.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 9 december 2010 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding op 10 oktober 2012 dat appellante reeds sinds een jaar samenwoont met appellant, heeft de sociale recherche Maastricht (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellante. In dat kader is

dossier- en administratief onderzoek verricht en zijn waarnemingen gedaan rondom de woningen van appellanten. Voorts heeft de sociale recherche op 23 april 2013 een huisbezoek afgelegd bij de woning van appellante en hebben appellanten beiden tijdens het huisbezoek een verklaring afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een op ambtseed opgemaakt rapport van 16 mei 2013.

1.3.

Bij besluit van 18 juli 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 oktober 2013 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 1 april 2013 beëindigd en de bijstand over de periode van 1 oktober 2012 tot en met 31 maart 2013 ingetrokken op de grond dat appellante sinds oktober 2012 een gezamenlijke huishouding voert met appellant. Tevens heeft het college de over de periode van 1 oktober 2012 tot en met 31 maart 2013 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 7.708,02 van appellante teruggevorderd. Daarbij heeft het college het teruggevorderde bedrag mede van appellant teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 1 oktober 2012 tot en met 18 juli 2013.

4.2.

Appellanten hebben aangevoerd dat de rechtbank het aanbod om getuigen te horen ten onrechte heeft afgewezen. In de artikelen 8:60, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht Awb) is - kort samengevat - bepaald dat de rechtbank getuigen kan horen en in 8:63, tweede lid, van de Awb dat de rechtbank kan afzien van het horen van een door een partij meegebrachte getuige. Het gaat hier derhalve om een bevoegdheid van de rechtbank en niet om een verplichting. Uit de uitspraak van de rechtbank noch uit het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank blijkt dat appellanten een verzoek hebben gedaan aan de rechtbank om getuigen te horen. Uit deze stukken blijkt ook niet dat appellanten getuigen hebben meegebracht om te worden gehoord. De rechtbank heeft geen expliciete beslissing genomen om getuigen niet te horen. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat gemeld is dat tijdens het huisbezoek op 23 april 2013 twee personen aanwezig waren die kunnen en willen bevestigen dat de door appellanten afgelegde verklaringen niet correct zijn opgenomen. De rechtbank heeft daarin echter geen aanleiding hoeven te zien om zonder expliciet verzoek ambtshalve deze getuigen te horen. De grond slaagt daarom niet.

4.3.

Appellanten hebben in hoger beroep herhaald wat zij in beroep bij de rechtbank naar voren hebben gebracht, namelijk dat de door hen op 23 april 2013 afgelegde en ondertekende verklaringen geen juiste dan wel volledige weergave is van wat zij hebben verklaard. Deze beroepsgrond slaagt niet. Wat appellanten hebben aangevoerd geeft geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en door de betrokkene ondertekende verklaring mag worden uitgegaan en dat aan het intrekken of wijzigen ervan geen zwaarwegende betekenis kan worden toegekend. Uit de processen-verbaal blijkt dat de verklaringen aan ieder afzonderlijk zijn voorgelezen en dat appellanten deze vervolgens zonder voorbehoud hebben ondertekend. De stelling van appellanten dat zij vanwege de drukte rondom hun geplande verhuizing de verklaringen slechts hebben ondertekend om er vanaf te zijn, geeft, wat daarvan ook zij, op zichzelf onvoldoende grond om er vanuit te gaan dat hetzij hun woorden onjuist zijn weergegeven hetzij hun verklaringen niet in overeenstemming met de werkelijkheid waren. De verklaringen zijn gedetailleerd en stemmen in grote lijnen met elkaar overeen. Appellanten hebben daartegenover onvoldoende gepreciseerd op welke punten de verklaringen onjuist zouden zijn en hoe deze in plaats daarvan hadden moeten luiden. Dat appellant niet op de hoogte was van de betekenis van het begrip hoofdverblijf, zoals appellanten hebben aangevoerd, is niet van betekenis, daar bepalend is wat zij hebben verklaard over de feitelijke situatie. Er bestaat gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet mede op die verklaringen kon worden gebaseerd. De door appellanten in hoger beroep overgelegde verklaring van M. [G.] ( [G.] ) van 15 september 2013 met betrekking tot het huisbezoek is onvoldoende concreet om tot een ander oordeel te leiden.

4.4.

Anders dan appellanten hebben betoogd, bieden de bevindingen van het onderzoek een toereikende grondslag voor de conclusie dat appellanten in de hier te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning en dat zij blijk gaven van wederzijdse zorg. Het college heeft er dan ook op goede grond vanuit kunnen gaan dat sprake was van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de WWB. Daarbij komt doorslaggevende betekenis toe aan de onder 4.2 bedoelde verklaring van appellante van

23 april 2013. Zij heeft verklaard dat appellant vier à vijf dagen in de week op haar adres verblijft, hoewel hij op een ander adres staat ingeschreven. Appellant blijft daar dan slapen en eet ook bij haar. Deze situatie bestaat al sinds het overlijden van de vader van appellant in oktober 2012. Verder heeft appellante verklaard dat appellant geld bijlegt voor het eten en dat hij weleens klusjes in huis doet. Zij doet de was voor appellant en maakt gebruik van zijn scooter. Deze verklaring vindt steun in de door appellant afgelegde verklaring van 23 april 2013. Appellant heeft verklaard dat hij op het adres van zijn vader staat ingeschreven. Na het overlijden van zijn vader op 10 oktober 2012 wilde appellant daar niet alleen zijn. Sindsdien heeft hij op het adres van appellante verbleven. Appellant heeft zijn stelling dat hij ook wel bij zijn broer verbleef niet onderbouwd en eerst in hoger beroep naar voren gebracht. Die stelling heeft hij dan ook niet aannemelijk gemaakt. Die stelling doet overigens niet af aan de verklaring van appellante dat hij vier à vijf dagen in de week bij haar verbleef. Aan de onder

4.3

bedoelde verklaring van [G.] komt in dit verband niet die betekenis toe die appellanten daaraan hechten, reeds omdat deze onvoldoende concrete gegevens met betrekking tot de feitelijke verblijfplaats van appellant bevat en geen reden van wetenschap vermeldt.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep van appellanten niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling is de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en F. Hoogendijk en

J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2016.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) A. Stuut

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.

HD