Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1186

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2016
Datum publicatie
05-04-2016
Zaaknummer
14/5787 WAO
Formele relaties
Oorspronkelijke uitspraak: ECLI:NL:CRVB:2016:3304
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is gerectificeerd met ECLI:NL:CRVB:2016:3305. De gerectificeerde tekst is opgenomen in ECLI:NL:CRVB:2016:3304, onderstaande tekst is niet meer geldig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0307
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5787 WAO

Datum uitspraak: 25 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

9 september 2014, 14/1134 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2016. Voor appellant is verschenen mr. M.G. Evers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, destijds werkzaam als inpakker, is in maart 1982 voor dat werk uitgevallen in verband met hoofdpijnklachten. Op grond van psychosomatische klachten dan wel een depressief beeld is appellant vanaf 1983, met onderbreking, arbeidsongeschikt geacht op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Appellant is 22 maart naar Marokko vertrokken. Bij besluit van 6 maart 1990 is zijn eventueel bestaande arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking gelaten en is zijn WAO-uitkering per december 1989 beëindigd, omdat appellant niet reageerde op oproepen om naar Nederland te komen voor een medisch onderzoek. Bij besluit van 11 september 2003 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat na toekenning van een WAO-uitkering uit het medisch onderzoek, dat in Marokko had plaats gevonden, is gebleken dat de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op minder dan 15% per 1 december 1989. Bij beslissing op bezwaar van

20 januari 2004 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 september 2003

niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep van appellant tegen het besluit van 20 januari 2004 is bij uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 oktober 2004 ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat het bezwaarschrift niet aan de vereisten van artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voldeed en dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

1.2.

Op 18 juni 2007 en 17 december 2009 heeft appellant verzocht hem een WAO-uitkering toe te kennen. Deze verzoeken zijn afgewezen. In beroep en hoger beroep zijn de besluiten tot afwijzing van de verzoeken van appellant in stand gebleven. Na deze eerdere verzoeken heeft appellant bij brief van 10 april 2013 het Uwv wederom verzocht zijn WAO-uitkering opnieuw te beoordelen, omdat zijn gezondheidstoestand was verslechterd.

1.3.

Bij besluit van 7 oktober 2013 is de aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat appellant geen aanvullende informatie heeft overgelegd die nodig is om de aanvraag te beoordelen.

1.4.

Bij besluit van 29 januari 2014 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van

7 oktober 2013 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb die aanleiding geven om terug te komen van het besluit van 11 september 2003.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij het standpunt van het Uwv, dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, onderschreven. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat de nieuwe medische gegevens die appellant heeft ingestuurd in bezwaar geen betrekking hebben op zijn arbeidsongeschiktheid op

1 december 1989. Om die reden hoefde het Uwv geen nieuw medisch onderzoek te doen en mocht hij het verzoek van appellant afwijzen onder verwijzing naar het besluit van

11 september 2003.

3. In hoger beroep handhaaft appellant, onder overlegging van diverse verklaringen vanuit de behandelende sector in Marokko van 15 mei 2014, 12 december 2014, 2 januari 2015 en van 12 april 1989, zijn standpunt dat hij vanaf 1989 arbeidsongeschikt is, dat zijn gezondheidstoestand slechter is geworden en dat er geen verbetering meer te verwachten is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 14 januari 2015, (ECLI:NL:CRVB:2015:1), moet een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking worden beoordeeld. Met een aanvraag kan worden beoogd dat (met ingang van de datum waarop dat besluit zag) wordt teruggekomen van het eerdere besluit, dat bedoeld wordt een beroep te doen op een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid (Wet Amber), of dat om herziening wordt verzocht voor de toekomst. Dit onderscheid is van belang voor de beoordeling van de aanvraag door het Uwv en de toetsing van de beslissing op die aanvraag door de bestuursrechter. Indien in een voorkomend geval niet (geheel) duidelijk is wat met een aanvraag wordt beoogd, ligt het op de weg van het Uwv daarover bij de aanvrager nadere informatie in te winnen.

4.2.

In de uitspraak van 14 januari 2015 is verder uiteengezet op welke wijze dergelijke aanvragen door de aanvrager moeten worden onderbouwd en door het Uwv moeten worden beoordeeld, alsmede hoe de rechter beslissingen van het Uwv op dergelijke aanvragen toetst. Daarbij heeft de Raad gewezen op zijn vaste rechtspraak dat in zaken waarop artikel 4:6 van de Awb van toepassing is, niet in de beoordeling in (hoger) beroep kunnen worden betrokken de pas in die fase ingebrachte stukken die voorafgaand aan het besluit op bezwaar niet bij het bestuursorgaan bekend waren als onderbouwing van reeds in de fase voorafgaand aan het primaire besluit dan wel in de bezwaarfase opgeworpen stellingen. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende.

4.3.

Zoals onder 4.1 is overwogen, moet de aanvraag van appellant naar zijn strekking worden beoordeeld. Appellant heeft bij zijn aanvraag, en toegelicht bij bezwaarschrift, te kennen gegeven dat hij ziek is gebleven, geen arbeid kon verrichten en zijn gezondheid verder is verslechterd. De aanvraag van appellant betrof daarom een verzoek om herziening van het besluit van 11 september 2003 ook voor de toekomst. Voorts moet worden vastgesteld dat, nu de uitkering van appellant met ingang van 1 december 1989 is ingetrokken en de wet Amber eerst per 29 december 1995 in werking is getreden, een Amber-beoordeling in deze zaak niet aan de orde is. Tevens moet worden vastgesteld dat het Uwv de aanvraag van appellant in eerste instantie niet heeft beoordeeld als herzieningsverzoek voor de toekomst. Bij brief van 15 januari 2016 heeft het Uwv desgevraagd evenwel meegedeeld dat de uitspraak van de

Raad van 14 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1) geen aanleiding geeft om zijn standpunt te herzien. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op de toekomst, voldoet deze naar de opvatting van het Uwv evenmin aan de daaraan te stellen eisen van deugdelijke en toereikende onderbouwing en voor zover mogelijk, relevant bewijs waaruit de onjuistheid van het besluit kan worden vastgesteld

4.4.

Allereerst moet worden beoordeeld of appellant bij zijn herhaalde aanvraag nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld, die met name zien op de datum

1 december 1989. Vervolgens moet worden bezien of zijn aanvraag, voor zover deze ziet op de toekomst, deugdelijk en toereikend is onderbouwd en voor zover mogelijk, is voorzien van relevant bewijs.

4.5.

Ter ondersteuning van zijn verzoek om zijn arbeidsongeschiktheid opnieuw te beoordelen heeft appellant verklaringen van dr. B. Ali van 17 juni 2013 en 26 december 2013 en een brief van dr. A. El Hamdouchi van 27 december 2013 overgelegd. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische gegevens die appellant ter onderbouwing van zijn aanvraag en in zijn bezwaar naar voren heeft gebracht, niet kunnen worden aangemerkt als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Voor zover de aanvraag betrekking had op de toekomst, voldeed deze uiterlijk in de bezwaarfase evenmin aan de daaraan te stellen eisen van deugdelijke en toereikende onderbouwing en, voor zover mogelijk, relevant bewijs. Appellant heeft immers bij zijn aanvraag of uiterlijk in bezwaar geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die, hoewel geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, aanleiding hadden moeten geven tot nader onderzoek door het Uwv en die konden bijdragen aan het oordeel van de bestuursrechter dat het besluit waarvan herziening is gevraagd, niet kan worden gehandhaafd voor zover het gaat om eventuele aanspraken vanaf de datum waarop het verzoek is ingediend. Uit de inhoud van de hiervoor genoemde verklaringen van dr. B. Ali en

dr. A. El Hamdouchi van 17 juni 2013, 26 december 2013 en 27 december blijkt niet van een noemenswaardige toename van het somatisch en psychiatrisch beeld zoals reeds was vastgesteld door de verzekeringsarts in zijn rapport van 27 maart 2003. De door appellant in de beroepsprocedure ingezonden medische verklaringen heeft de rechtbank in dit kader gelet op de aard van de toetsing van dit onderdeel van de aanvraag terecht buiten beschouwing gelaten. Dit geldt ook voor de in hoger beroep door appellant ingediende medische informatie.

4.6.

Het Uwv mocht de aanvraag van appellant dan ook bij het bestreden besluit afwijzen. Onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb moet het bestreden in stand worden gelaten.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd met verbetering van de gronden.

5. Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep ter hoogte van € 992,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten tot een bedrag van € 992,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 167,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. van Leeuwen, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2016.

(getekend) H. van Leeuwen

(getekend) N. Veenstra

MO