Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1180

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-03-2016
Datum publicatie
11-04-2016
Zaaknummer
14/4331 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht ingetrokken en teruggevorderd. Veronderstelling beleende sieraden behoren tot middelen van betrokkenen. Geen tegenbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4331 WWB

Datum uitspraak: 29 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 juni 2014, 13/5623 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] (appellante) en [appellant] (appellant) beiden te [woonplaats]

het dagelijks bestuur Werk en Inkomen Lekstroom (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Gemeenschappelijke regeling Werk en Inkomen Lekstroom oefent het dagelijks bestuur met ingang van 1 mei 2013 de taken en bevoegdheden uit in het kader van de Wet werk en Bijstand (WWB), die voorheen door het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het dagelijks bestuur tevens verstaan het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein.

Namens appellanten heeft mr. T. Nieuwburg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2016. Namens appellanten is verschenen mr. Nieuwburg. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door P.A. van de Ven. Ter zitting heeft mr. Nieuwburg nadere stukken ingebracht.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen vanaf 9 juli 1997 met onderbrekingen bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Naar aanleiding van informatie van de Regiopolitie Utrecht dat bij de Financial Intelligence Unit meldingen van ongebruikelijke financiële transacties van appellanten bekend zijn, waaronder het belenen van sieraden, heeft de Regionale Sociale Recherche Nieuwegein (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek verricht, historische gegevens van beleningen van sieraden op naam van appellanten opgevraagd bij de Stadsbank van Lening van de gemeente Amsterdam (Stadsbank) en appellanten tweemaal verhoord. Bij dit onderzoek heeft de sociale recherche vastgesteld dat appellanten op dertien dagen in de periode van 14 februari 2006 tot en met 14 juni 2011 sieraden hebben beleend bij de Stadsbank voor bedragen van € 2.480,- tot € 24.450,-. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal van de sociale recherche van 5 september 2011 en in rapporten van 18 februari 2013 en 7 maart 2013.

1.3.

De onderzoeksresultaten van de sociale recherche zijn voor het dagelijks bestuur aanleiding geweest om bij twee afzonderlijke besluiten van 7 maart 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 september 2013 (bestreden besluit):

- de bijstand van appellanten met ingang van 1 februari 2013 te beëindigen (lees: in te trekken);

- de bijstand van appellanten in te trekken over de periode van 14 februari 2006 tot 1 februari 2013 en

- de over de periodes van 14 februari 2006 tot en met 20 mei 2007 en van 11 december 2007 tot en met 31 januari 2013 gemaakte kosten van bijstand van appellanten terug te vorderen tot een bedrag van in totaal € 124.923,33.

Aan het bestreden besluit heeft het dagelijks bestuur het volgende ten grondslag gelegd. Appellanten hebben in de periode van 14 februari 2006 tot 14 juni 2011 sieraden beleend bij de Stadsbank. Het leenbedrag bedroeg in totaal € 144.240,-, de waarde van de beleende sieraden in totaal € 170.850,-. Appellanten hebben door middel van hun paspoorten sieraden aangeboden en het geld hiervoor in ontvangst genomen. Appellanten konden vrijelijk beschikken over de beleende gelden en over de ter belening aangeboden sieraden. Niet is aangetoond of onderbouwd dat de sieraden niet tot het vermogen van appellanten zouden moeten worden gerekend. Appellanten hebben noch van het belenen van sieraden, noch van het in bezit hebben of verkrijgen van sieraden melding gemaakt aan het college.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe hebben zij aangevoerd dat appellante van meet af aan het volgende heeft verklaard: “Het geld en de sieraden zijn niet van mij, ik heb het alleen op mijn legitimatie gedaan” en: “De sieraden werden door mijn ouders met de auto naar Nederland gebracht”. Appellanten stellen dat dit concrete en verifieerbare verklaringen zijn, waarmee de vooronderstelling dat de beleende goederen deel uitmaken van de middelen waarover zij konden beschikken is weerlegd, en dat deze verklaringen bovendien steun vinden in de ter zitting ingebrachte

- ongedateerde - schriftelijke verklaring, die [M.] (M), de vader van appellante, in Servië heeft afgelegd. Voorts hebben appellanten aangevoerd, onder verwijzing naar de door hen ter zitting ingebrachte arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 oktober 2015, dat zij zijn vrijgesproken van het hen in de strafzaken ten laste gelegde strafbare feit dat zij, kort gezegd, in strijd met een hen bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 van de WWB, opzettelijk hebben nagelaten de benodigde gegevens aan het dagelijks bestuur te verstrekken door opzettelijk geen opgave te doen van vermogen waarover zij de beschikking hadden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft er, onder verwijzing naar de uitspraak van 25 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1067, terecht op gewezen dat als een betrokkene bij een bank van lening roerende goederen ter verpanding aanbiedt en de daarmee geleende som in ontvangst neemt, voor de toepassing van de WWB de vooronderstelling is gerechtvaardigd dat die goederen deel uit maken van de middelen waarover die betrokkene kan beschikken. Het is dan aan die betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken.

4.2.

Met de rechtbank en anders dan appellanten is de Raad van oordeel dat appellanten niet in de op hen rustende bewijslast zijn geslaagd. De verklaringen van appellante afgelegd bij het verhoor door de sociale recherche waarop appellanten hebben gewezen, zijn daartoe op zichzelf ontoereikend bij gebreke van een objectieve en verifieerbare onderbouwing daarvan.

4.3.1.

De verklaring van M, opgesteld in het Servisch en vertaald in het Engels en vervolgens in het Nederlands, luidt als volgt:

“Ik, [M], vader van [appellante], verklaar hiermee dat ik aan [appellante] in de periode van 2006 tot 2011 meerdere keren gouden sieraden heb gegeven opdat zij deze verpanden kon in een pandjeshuis in Nederland, wiens verblijfsvergunning en de mogelijkheid van het gebruik hiervan in het pandjeshuis, voornoemde [appellante] in bezit heeft. Zij verpandde er sieraden met diamanten (kettinkjes, colliers, armbanden, ringen) welke ik van mijn ouders heb geërfd. Ook verklaar ik dat ik elke keer aanwezig ben geweest en het geld opgenomen heb dat ik nodig had in verband met de slechte gezondheidstoestand waarin ik en mijn echtgenote, […], verkeerden. Ik had een infarct en mijn echtgenote had een beroerte. Het geld is eveneens geïnvesteerd in het renoveren van het familiehuis en het vervaardigen van een graf(kelder).”

4.3.2.

Deze summiere en achteraf opgestelde verklaring is onvoldoende concreet en specifiek om daaraan die betekenis toe te kennen die appellanten daaraan gehecht wensen te zien, terwijl bovendien ook deze verklaring gespeend is van enige objectieve en verifieerbare onderbouwing. Dit betekent dat appellanten ook met de verklaring van M niet aannemelijk hebben gemaakt dat de verpande sieraden geen deel uit maken van de middelen waarover zij ten tijde in geding beschikten of redelijkerwijs konden beschikken.

4.4.

De omstandigheid dat de strafrechter appellanten van het ten laste gelegde opzettelijk handelen in strijd met de wettelijke inlichtingenverplichting heeft vrijgesproken, doet volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 22 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP5715) aan het voorgaande geen afbreuk. De bestuursrechter is immers in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan wat in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en G.M.G. Hink en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2016.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) J.L. Meijer

HD