Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1175

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-03-2016
Datum publicatie
05-04-2016
Zaaknummer
15/3497 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omzetting naar LFNP-functie. Uitspraken 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663. Niet aannemelijk dat de matching niet overeenkomstig de Regeling is geschied of dat het resultaat van de matching anderszins onhoudbaar is te achten. Transponeringstabel is geen algemeen verbindend voorschrift, maar mag als grondslag dienen voor besluitvorming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3497 AW, 15/3498 AW

Datum uitspraak: 31 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 maart 2015, 14/4264 en 14/4265 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[appellant 1] te [woonplaats 1]
[appellant 2] te [woonplaats 2] (appellanten)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. W.J. Dammingh, advocaat, hoger beroepen ingesteld en nadere stukken ingediend.

De korpschef heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 18 februari 2016. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Dammingh. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.E. Bensoussan en L.M. van den Hil.

OVERWEGINGEN

1.1.

In het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie 2008-2010 is onder meer afgesproken dat voor de sector Politie landelijk een nieuw functiegebouw zal gaan gelden. Daartoe is een stelsel van (uiteindelijk) 92 functies met daarbij behorende functiebenamingen ontwikkeld, voorzien van een waardering per functie. Dit geheel wordt aangeduid als het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) en is vastgelegd in de Regeling vaststelling LFNP (Stcrt. 2013, nr. 13079). Voor een uiteenzetting over de onderscheiden stappen in het kader van de invoering van het LFNP en een weergave van de toepasselijke regelgeving wordt verwezen naar de uitspraken van de Raad van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663.

1.2.

Bij besluiten van 10 juni 2011 heeft de korpschef de uitgangspositie van appellanten voor de omzetting naar een LFNP-functie vastgesteld op Medewerker Documentatie Informatievoorziening A, salarisschaal 6. Tegen deze besluiten hebben appellanten geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3.

Bij besluiten van 16 december 2013 heeft de korpschef ten aanzien van appellanten besloten tot toekenning van en overgang naar de LFNP-functie van Administratief Secretarieel Medewerker, met als vakgebied Administratie & Secretariaat, salarisschaal 6. Bij besluiten van 30 mei 2014 (bestreden besluiten) heeft de korpschef de bezwaren van appellanten tegen deze besluiten ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de directeur HRM bevoegd was om namens de korpschef te beslissen op de bezwaren van appellanten. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de transponeringstabel een algemeen verbindend voorschrift is. Door appellanten zijn geen ernstige tekortkomingen aan de inhoud of de totstandkoming van de Regeling overgang naar een LFNP functie (Regeling) of de transponeringstabel aangevoerd, noch is daarvan gebleken. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen appellanten hebben aangevoerd niet kan leiden tot het oordeel dat de korpschef de hardheidsclausule had moeten toepassen.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Zoals is overwogen in de onder 1.1 genoemde uitspraken van de Raad van 1 juni 2015, mag de korpschef bij het nemen van besluiten over de toekenning van en overgang naar een LFNP-functie ervan uitgaan dat toepassing van de voor het matchingsproces geldende regels tot de in de transponeringstabel vermelde uitkomst leidt. Hij mag in beginsel volstaan met een verwijzing naar die tabel. Het is aan de betrokken politieambtenaar om aannemelijk te maken dat de matching niet overeenkomstig de Regeling is geschied of dat het resultaat van de matching anderszins onhoudbaar is te achten. Het enkele feit dat een andere uitkomst ook verdedigbaar zou zijn geweest is niet voldoende. Verder kan de politieambtenaar zich niet beroepen op feiten of omstandigheden die hij reeds in het kader van de vaststelling van zijn uitgangspositie naar voren had kunnen brengen.

3.2.

Appellanten hebben aangevoerd dat uit de Handleiding Uitvoering matching LFNP 2013 (Handleiding) blijkt dat de salarisschaal van post- en archieffuncties de keuze voor het vakgebied heeft bepaald. Dit achten zij in strijd met de in artikel 3, vierde lid, van de Regeling voorgeschreven volgorde, op grond waarvan de salarisschaal pas een rol mag spelen bij het bepalen van de LFNP-functie nadat het meest vergelijkbare vakgebied is gekozen.

3.3.

In de Handleiding is vermeld dat een korpsfunctiebeschrijving op het gebied van post en archief tot en met schaal 6 het meest vergelijkbaar is met het vakgebied Administratie & Secretariaat en dat een korpsfunctiebeschrijving in schaal 7 en hoger het meest vergelijkbaar is met het vakgebied Gespecialiseerde Ondersteuning. Anders dan appellanten stellen betekent dit niet dat de bepaling van het meest vergelijkbare vakgebied in strijd met de volgorde van artikel 3, vierde lid, onder b, van de Regeling op basis van de salarisschaal heeft plaatsgevonden. Uit de eveneens in de Handleiding opgenomen motivering ter zake volgt immers dat de aard van de werkzaamheden van de korpsfuncties aan de keuze voor het vakgebied Administratie & Secretariaat dan wel het vakgebied Gespecialiseerde Ondersteuning ten grondslag ligt en niet de salarisschaal. Ook uit het functievergelijkingsformulier volgt dat voor de korpsfunctie Medewerker Documentatie Informatievoorziening A het vakgebied Administratie & Secretariaat is gekozen, omdat de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden uit deze korpsfunctie hiermee het meest vergelijkbaar zijn.

3.4.

Appellanten hebben verder betoogd dat zij gespecialiseerde werkzaamheden uitvoeren en dat deze werkzaamheden en de vereisten die aan hun kennis worden gesteld passen bij het vakgebied Gespecialiseerde Ondersteuning en niet bij het vakgebied Administratie & Secretariaat. De werkzaamheden zien volgens hen niet op puur administratieve en secretariële werkzaamheden, maar vereisen specialisatie en zelfstandige toepassing van de toepasselijke voorschriften.

3.5.

Dit betoog slaagt niet. Uitgangspunt bij de matching is ingevolge artikel 3, vierde lid, van de Regeling, in verbinding met artikel 5, tweede en derde lid, van de Regeling de inhoud van de schriftelijke, formele korpsfunctiebeschrijving zoals vastgelegd in de uitgangspositie. De uitgangspositie van appellanten voor de omzetting naar een LFNP-functie is vastgesteld op Medewerker Documentatie Informatievoorziening A. Het doel van die functie is blijkens de functiebeschrijving het verrichten van beheersmatige administratieve werkzaamheden op het terrein van de regionale postregistratie en archivering. De Raad deelt de opvatting van de korpschef dat, gelet op wat in de functiebeschrijving onder ‘verantwoordelijkheidsbereik’ en ‘werkomschrijving / kernactiviteiten’ is vermeld, de nadruk van die functie ligt op administratieve werkzaamheden en niet op werkzaamheden als bedoeld in het vakgebied Gespecialiseerde Ondersteuning. Voor zover de werkzaamheden die appellanten feitelijk uitvoeren gespecialiseerde werkzaamheden zijn die onder het vakgebied Gespecialiseerde Ondersteuning vallen, zoals zij stellen, kan dit hun niet baten, nu de inhoud van de schriftelijke, formele korpsfunctiebeschrijving zoals vastgelegd in de uitgangspositie bepalend is. Overigens heeft de korpschef er in dit verband terecht op gewezen dat appellanten niet om functieonderhoud hebben verzocht en geen bezwaar hebben gemaakt tegen de vaststelling van de uitgangspositie.

3.6.

De conclusie is dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat de matching niet overeenkomstig de Regeling is geschied of dat het resultaat van de matching anderszins onhoudbaar is te achten.

3.7.

Appellanten hebben verder het volgende betoogd. De korpschef heeft de bestreden besluiten ondeugdelijk gemotiveerd door de transponeringstabel op te vatten als een algemeen verbindend voorschrift, waartegen ingevolge artikel 8:3, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in verbinding met artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen bezwaar en beroep openstaat. Appellanten zijn tegen deze dragende overweging in de besluitvorming terecht opgekomen en hebben moeten procederen om tot een deugdelijke motivering te komen, zodat zij aanspraak maken op vergoeding van proceskosten en het griffierecht.

3.8.

Ook dit betoog slaagt niet. Dat de transponeringstabel niet kan worden aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift, laat onverlet dat de tabel als grondslag mag dienen voor besluitvorming als hier aan de orde, waarbij de korpschef in beginsel mag volstaan met een verwijzing daarnaar. De Raad verwijst in zoverre naar zijn onder 1.1 genoemde uitspraak van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550. Dat de transponeringstabel het karakter van een algemeen verbindend voorschrift ontbeert, is dan ook onvoldoende om te oordelen dat de bestreden besluiten niet berusten op een deugdelijke motivering. Het beroep van appellanten op de vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3123) volgens welke in geval van een ongegrond beroep aanleiding bestaat om het bestuursorgaan te veroordelen in de proceskosten die een andere partij heeft moeten maken, indien die andere partij heeft moeten procederen om een deugdelijke motivering van het besluit te krijgen, slaagt niet. Nu de transponeringstabel als grondslag mag dienen voor de bestreden besluiten en in de bestreden besluiten, zij het summier, is ingegaan op de inhoudelijke bezwaren van appellanten, bestaat onvoldoende grond voor het oordeel dat appellanten hebben moeten procederen om een deugdelijke motivering van de bestreden besluiten te krijgen.

3.9.

Voor zover appellanten zich op het standpunt stellen dat met het oordeel dat aan de transponeringstabel, ondanks dat deze het karakter van een algemeen verbindend voorschrift ontbeert, niettemin een zwaarwegende betekenis moet worden gehecht in de onder 3.1 bedoelde zin, in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb de grondslag van de bestreden besluiten wordt uitgebreid, deelt de Raad dit standpunt niet. De bestreden besluiten zijn gebaseerd op de transponeringstabel. Zoals al is geconcludeerd in de uitspraken van 1 juni 2015, is die grondslag in beginsel toereikend. Die conclusie houdt geen aanvulling of wijziging van de aan de bestreden besluiten ten grondslag gelegde motivering in (zie ook de uitspraak van 3 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:752). Het beroep van appellanten op de uitspraken van de Raad van 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH3898, 5 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO3335, en 13 december 2011,

ECLI:NL:CRVB:2011:BU8612, treft geen doel, omdat die uitspraken niet zien op vergelijkbare gevallen. Het voorgaande brengt tevens mee dat er evenmin aanleiding is voor een nieuwe behandeling in bezwaar, zoals door appellanten is bepleit.

3.10.

Uit 3.1 tot en met 3.9 volgt dat de hoger beroepen niet slagen en de aangevallen uitspraken voor bevestiging in aanmerking komen.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2016.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) M.S. Spek

HD