Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1169

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-03-2016
Datum publicatie
04-04-2016
Zaaknummer
15/2306 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen verzoek herziening beslissing op bezwaar. Geen nieuw feit. Rechtbank bevoegd. Kennelijke onjuistheid speelt geen rol.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/2306 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

19 februari 2015, 14/1561 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het Drechtstedenbestuur (bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.W.J. van der Meer, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het bestuur heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2016. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Kleijn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving met ingang van 12 september 2007 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

Bij besluit van 13 september 2012 heeft het bestuur de bijstand van appellante herzien over de periode van 1 juni 2008 tot en met 13 augustus 2012 en de over die periode gemaakte kosten van bijstand van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 7.808,89. Aan dat besluit ligt ten grondslag dat appellante geen opgave heeft gedaan van ontvangen kinderalimentatie. Bij besluit van 8 februari 2013 heeft het bestuur het bezwaar tegen het besluit van 13 september 2012 ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen het besluit van

8 februari 2013 geen beroep ingesteld.

1.3.

Bij brief van 12 juni 2013 heeft appellante verzocht om herziening van het terugvorderingsbesluit van 13 september 2012.

1.4.

Bij besluit van 4 september 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 januari 2014 (bestreden besluit), heeft het bestuur het verzoek om herziening afgewezen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De door appellante in dit verband genoemde beschikking van de rechtbank Dordrecht van 19 oktober 2011, waarbij is bepaald dat de ex-echtgenoot van appellante met ingang van 19 oktober 2011 geen alimentatie meer hoeft te betalen, was reeds bij het tot stand komen van het besluit van

8 februari 2013 bekend bij appellante en had tijdens de bezwaarprocedure tegen dit besluit door appellante kunnen worden overgelegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de nader te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het verzoek van appellante van 12 juni 2013 strekt ertoe dat het bestuur terugkomt van zijn besluit van 13 september 2012 en de beslissing op bezwaar van 8 februari 2013. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 21 oktober 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AM3202) en anders dan waarvan appellante in het hoger beroepschrift is uitgegaan, is op zo'n verzoek artikel 4:6 van de Awb van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren moet brengen. Wanneer de aanvrager dat niet doet, kan een bestuursorgaan het verzoek afwijzen met verwijzing naar zijn eerdere besluit. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. De bestuursrechter dient het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten en omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

4.2.

Het bestuur heeft het verzoek met verwijzing naar de eerdere besluitvorming afgewezen. Anders dan appellante aanvoert, was de rechtbank niet op grond van artikel 8:119 van de Awb onbevoegd om uitspraak te doen op het tegen het bestreden besluit gerichte beroep.

Artikel 8:119 van de Awb ziet op de herziening van een onherroepelijk geworden uitspraak. Hier is het verzoek om herziening van het besluit van 13 september 2012 en de daarop volgende beslissing op bezwaar van 8 februari 2013 aan de orde. De rechtbank is op grond van artikelen 7:1, 8:1 en 8:7 van de Awb bevoegd over het op dat verzoek betrekking hebbende bestreden besluit te oordelen.

4.3.

Appellante heeft geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren gebracht. De rechtbank en het bestuur hebben terecht geconcludeerd dat de beschikking van de rechtbank Dordrecht van 19 oktober 2011 niet kan worden aangemerkt als een nieuw feit, nu appellante daarmee voorafgaand aan het besluit van 8 februari 2013 bekend was en zij die beschikking had kunnen overleggen. Wat zij in hoger beroep aanvoert, komt er op neer dat het bestuur, omdat het besluit van 13 september 2013 kennelijk onjuist is en appellante destijds niet door een professionele rechtshulpverlener werd bijgestaan, aanleiding had moeten zien om terug te komen van de besluiten van 13 september 2012 en 8 februari 2013. Die grond slaagt niet. Daarbij moet voorop worden gesteld dat volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 8 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC2453) de gestelde kennelijke onjuistheid van het oorspronkelijke besluit op zichzelf geen beslissende rol speelt. Het feit dat appellante destijds niet werd bijgestaan door een professionele rechtshulpverlener leidt - ook in samenhang

met de gestelde kennelijke onjuistheid van de besluiten van 13 september 2012 en 8 februari 2013 - niet tot een ander oordeel.

4.4.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en H.C.P. Venema en

M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2016.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) M.S. Spek

HD