Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1168

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-03-2016
Datum publicatie
05-04-2016
Zaaknummer
15/1737 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

LFNP en Regeling vaststelling LFNP. Uit de spraken van de Raad van 1 juni 2015 volgt dat formele functiebeschrijving uitgangspunt is. Korpschef mag in beginsel volstaan met een verwijzing naar de TPT, de betrokken politieambtenaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1737 AW

Datum uitspraak: 24 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

6 maart 2015, 14/2000 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.P.L.C. Dijkgraaf, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

In het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie 2008-2010 is onder meer afgesproken dat voor de sector Politie landelijk een nieuw functiegebouw zal gaan gelden. Daartoe is een stelsel van (uiteindelijk) 92 functies met daarbij behorende functiebenamingen ontwikkeld, voorzien van een waardering per functie. Dit geheel wordt aangeduid als het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) en is vastgelegd in de Regeling vaststelling LFNP (Stcrt. 2013, nr. 13079). Voor een uiteenzetting over de onderscheiden stappen in het kader van de invoering van het LFNP alsmede een weergave van de toepasselijke regelgeving verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663.

1.2.

Appellant was werkzaam in de voormalige politieregio Brabant Zuid-Oost, thans regionale eenheid Oost-Brabant. Bij besluit van 7 november 2011 heeft de korpschef de uitgangspositie van appellant voor zijn toekomstige LFNP-functie bepaald op Afdelingschef Territoriale Afdeling (schaal 11). Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3.

Op 16 december 2013 heeft de korpschef ten aanzien van appellant besloten tot toekenning van en overgang naar de LFNP-functie Teamchef B in het vakgebied Leiding, met bijbehorende schaal 10. Bij besluit van 4 juni 2014 (bestreden besluit) is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad komt naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd tot de volgende beoordeling.

3.1.

Appellant heeft als meest verstrekkende beroepsgrond aangevoerd dat er aan de totstandkoming van de Regeling overgang naar een LFNP functie, Stcrt. 2013, nr. 13141 (Regeling) ernstige feilen kleven zodat dit voorschrift niet als grondslag kan dienen voor het daarop gebaseerde bestreden besluit. Volgens appellant is sprake van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat gaandeweg en met terugwerkende kracht is besloten om binnen een vastgesteld vakgebied niet meer op inhoud, maar op schaal te matchen, terwijl het op dat moment niet meer mogelijk was om functieonderhoud te vragen. Dit betoog slaagt niet. Voor dit oordeel wordt verwezen naar de onder 1.1 genoemde uitspraak van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1663, in het bijzonder rechtsoverweging 7.1 tot en met 7.3.2. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding voor een ander oordeel.

3.2.

Voorts heeft appellant aangevoerd dat de matchingsregels ondeugdelijk zijn, omdat het criterium dat bepalend is voor het onderscheid tussen teamchef B (schaal 10) of teamchef C (schaal 12) ondeugdelijk is. Gedoeld wordt op het criterium ‘gewerkt hebben met niet-eerder verkende problematiek’. In de bestaande korpsfunctiebeschrijvingen kwam dit element immers nog niet voor, aldus appellant. Dit betoog slaagt evenmin. Daarvoor is in de eerste plaats redengevend dat het gehele proces van matching in samenspraak met, en onder (eind)verantwoordelijkheid van, het Georganiseerd Overleg in Politieambtenarenzaken (GOP) heeft plaatsgevonden en de neerslag vormt van binnen het GOP gevoerd overleg. Inherent aan zodanig overleg is dat over en weer sprake is van geven en nemen. De uitkomst van zo’n onderhandelingsproces kan dan ook niet met vrucht worden bestreden door enkel te wijzen op de voor de werknemer nadelige gevolgen ervan en de voordelen buiten beschouwing te laten (vergelijk de onder 1.1 genoemde uitspraken van 1 juni 2015). Daarbij komt dat in het matchingsproces expliciet rekening is gehouden met en aandacht besteed aan de situatie van leidinggevenden met een korpsfunctie in schaal 11, zoals appellant. Dit blijkt uit de Handleiding uitvoering matching LFNP 2013 (Handleiding) (deel III, hoofdstuk B,

pagina’s 9 en 22 e.v.). Er is geen grond voor het oordeel dat sprake zou zijn van het gebruik van een ondeugdelijk (onderscheidend) criterium, vanwege het gebruik van andere bewoordingen en begrippen dan die in de oude korpsfunctiebeschrijvingen voorkwamen. Uit de Handleiding blijkt dat het voor de werkgroep matching wel degelijk mogelijk was een vergelijking te maken tussen de oude korpsfunctiebeschrijvingen en de nieuwe

LFNP-functies, alhoewel soms sprake was van moeilijke keuzes. Dit laatste maakt niet dat sprake is van ernstige feilen van de Regeling naar inhoud en wijze van totstandkoming.

3.3.

Voorts heeft appellant aangevoerd dat de matching in zijn geval niet juist is, omdat in zijn korpsfunctie wel degelijk sprake was van niet eerder verkende problematiek en hij tevens leiding gaf aan specialisten, zodat hij had moeten worden gematcht met de functie van Teamchef C. Deze beroepsgrond slaagt niet.

3.4.

Zoals de Raad in de voornoemde uitspraken van 1 juni 2015 heeft overwogen, is het uitgangspunt bij de matching steeds de formele functiebeschrijving geweest, zo ook in het geval van appellant. Van een matching op basis van feitelijke werkzaamheden en verantwoordelijkheden is nooit sprake geweest. De inhoud van de korpsfunctiebeschrijving is dan ook bepalend voor de indeling in domein, vakgebied en functie. Dit is conform het bepaalde in artikel 3 van de Regeling in verbinding met artikel 5, tweede en derde lid, van de Regeling. Zoals de Raad ook in de uitspraken van 1 juni 2015 tot uitdrukking heeft gebracht kan de Transponeringstabel (TPT), die de uitkomst van de matching bepaalt, anders dan de rechtbank tot uitgangspunt heeft genomen, niet worden aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift. Dit neemt niet weg dat aan deze tabel, mede op grond van de waarborgen waarmee de totstandkoming ervan is omgeven, een zwaarwegende betekenis moet worden gehecht en dat de korpschef bij het nemen van besluiten over de toekenning van en overgang naar een LFNP-functie ervan mag uitgaan dat toepassing van de voor het matchingsproces geldende regels tot de in de tabel vermelde uitkomst leidt. Hij mag dan ook in beginsel volstaan met een verwijzing naar de TPT en het is aan de betrokken politieambtenaar om aannemelijk te maken dat de matching niet overeenkomstig de Regeling is geschied of dat het resultaat van de matching anderszins onhoudbaar is te achten.

3.5.

Zoals de Raad heeft overwogen in de uitspraken van 28 januari 2016 (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2016:346) heeft de werkgroep matching in de Handleiding (p. 26-30) uitdrukkelijk en inzichtelijk gemotiveerd waarom de korpsfuncties van leidinggevenden in schaal 11, zoals die van appellant, zijn gematcht aan de naast gelegen lagere LFNP-functie Teamchef B (schaal 10) en niet aan Teamchef C (schaal 12), zoals appellant ambieert. De werkgroep matching heeft, gelet op de onderscheidende kenmerken van beide LFNP-functies, onvoldoende objectieve aanknopingspunten gevonden om de korpsfunctiebeschrijvingen van leidinggevenden in schaal 11 te matchen met de LFNP-functie Teamchef C en heeft matching met LFNP-functie Teamchef B aangewezen geacht. De Raad heeft de gegeven motivering inzichtelijk geacht en ook overigens geen aanleiding gezien het resultaat van de matching onhoudbaar te achten. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding voor een ander oordeel. Anders dan appellant stelt blijkt uit zijn korpsfunctiebeschrijving niet dat in zijn functie sprake was van niet eerder verkende problematiek, nieuwe benaderwijzen en/of werkzaamheden waarin specialisten de aanpak van deze problematiek structureel middels directe inzet en inbreng ondersteunen. Evenmin blijkt dat appellant (structureel) tot taak had leiding te geven aan equivalenten van de LFNP-functies Operationeel Specialist en Bedrijfsvoeringspecialist, waarvan een hoogwaardige bijdrage wordt verwacht. Hiermee wordt bedoeld Operationeel Specialisten en Bedrijfsvoeringspecialisten van niveau D en hoger.

3.6.

De beroepsgrond van appellant dat de korpschef in het bestreden besluit zijn beroep op de hardheidsclausule onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen, slaagt niet. De hardheidsclausule ziet naar aard en bewoordingen op onbillijkheden van overwegende aard in individuele gevallen en op bijzondere situaties die de regelgever bij het tot stand brengen van de regeling niet heeft voorzien. De mogelijkheid van verschillen tussen de korpsfunctie en de LFNP-functie - gegeven ook de eigen systematiek van het LFNP - is door de regelgever uitdrukkelijk onder ogen gezien. Het nieuwe functiegebouw strekt nu eenmaal tot uniformering en harmonisering, waaraan inherent is dat niet voor iedereen de situatie bij het oude kan blijven. Ook het feit dat appellant in een lagere salarisschaal is geplaatst, waardoor hij uitloop naar schaal 12 misloopt, rechtvaardigt niet de toepassing van de hardheidsclausule, nu dit naar zijn aard niet individueel of bijzonder is, omdat dit iedereen treft die in een lagere functieschaal is geplaatst. Die mogelijkheid vloeit rechtstreeks voort uit de keuze voor een functiegebouw waarbij in sommige domeinen niet in alle schalen is voorzien, zodat geen sprake is van een bijzondere situatie die de regelgever bij het tot stand brengen van de regeling niet heeft voorzien. Anders dan appellant acht de Raad de in het bestreden besluit gegeven motivering op dit punt niet ontoereikend. Daarin staat immers vermeld dat de aangevoerde omstandigheden voortvloeien uit de systematiek van de regelgeving. De korpschef heeft dus wel degelijk, zij het heel summier, aangegeven waarom het resultaat van de matching in het bewuste individuele geval voorzienbaar was of in overeenstemming is te achten met de bedoeling van de wetgever, zodat niet van een motiveringsgebrek op het bewuste punt kan worden gesproken.

3.7.

Appellant heeft tenslotte nog aangevoerd dat er geen verslag is opgemaakt van zijn hoorgesprek in bezwaar, waardoor sprake is van onzorgvuldige besluitvorming. Deze stelling is echter niet juist nu zich in de gedingstukken een hoorverslag bevindt van het (telefonische) hoorgesprek van 6 februari 2014. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat dit verslag geen juiste weergave zou zijn van hetgeen op de hoorzitting is besproken, terwijl de korpschef bovendien blijkens het bestreden besluit notie heeft genomen van dit hoorverslag en de aanbevelingen die door het hoorkoppel zijn gedaan.

3.8.

Uit 3.1 tot en met 3.7 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2016.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) P.W.J. Hospel

HD