Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1164

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-03-2016
Datum publicatie
05-04-2016
Zaaknummer
14/4345 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing uit functie. Opdracht andere functie. Voldoende inspanningen werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2016/137
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4345 AW, 15/1045 AW, 15/6776 AW

Datum uitspraak: 31 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van

17 juli 2014, 13/6927 (aangevallen uitspraak 1) en van 8 januari 2015, 14/7381 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[naam] te [woonplaats] (betrokkene)

de directie van de RDW (directie)

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. M.R. Hoendermis hoger beroepen ingesteld.

Namens de directie heeft mr. M.E.C.M. Paumen, advocaat, verweerschriften ingediend en tevens incidenteel hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 1.

Betrokkene heeft zijn zienswijze omtrent dit incidenteel hoger beroep naar voren gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2016. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Hoendermis. De directie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Paumen en mr. H. Pasman.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreide weergave van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraken. De Raad volstaat met het volgende.

1.1.

Betrokkene is sinds 1995 in dienst bij de RDW, tot 14 april 2014 in de functie van [functie 1] op de afdeling Juridische en Bestuurlijke Zaken (JBZ). Op 4 juni 2012 heeft betrokkene zich na een - geëscaleerd - gesprek met haar leidinggevende P ziek gemeld. Op

19 september 2012 is betrokkene in het kader van haar re-integratie twee uur per dag gaan werken, niet op de afdeling JBZ maar bij het Facilitair Bedrijf. In de periode daarna zijn diverse pogingen ondernomen om de tussen betrokkene en P ontstane impasse te doorbreken. Op 28 januari 2013 is betrokkene vanwege ziekte opnieuw uitgevallen. Op 18 februari 2013 heeft de bedrijfsarts de directie meegedeeld dat zij betrokkene in staat acht om te re-integreren “buiten de conflictsetting”.

1.2.

Bij e-mail van 18 februari 2013 heeft betrokkene verzocht om een schriftelijk besluit over haar functie bij de afdeling JBZ.

1.3.

In reactie op dit verzoek heeft de directie bij brief van 12 maart 2013 betrokkene laten weten dat de verhouding tussen betrokkene en P onherstelbaar beschadigd is geraakt en dat het herplaatsingsonderzoek - zonder haar inbreng - zal worden voortgezet. Bij brief van

4 april 2013 heeft de directie betrokkene het herplaatsingsplan en een vacature toegezonden en haar uitgenodigd om kenbaar te maken wat in dit kader haar wensen en mogelijkheden zijn. Betrokkene heeft tegen beide brieven bezwaar gemaakt.

1.4.

Bij besluit van 9 september 2013 (bestreden besluit 1) heeft de directie, voor zover thans van belang, het bezwaar tegen de brief van 12 maart 2013 opnieuw ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de brief van 4 april 2013 niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek van betrokkene om vergoeding van de kosten in bezwaar afgewezen.

1.5.

Bij brief van 21 maart 2014 is aan betrokkene het voornemen kenbaar gemaakt om haar met toepassing van artikel 102, tweede lid, onder b, van het Rechtspositiereglement RDW per 14 april 2014 te plaatsen in de functie van [functie 2] (KCC),

schaal [nummer]. De directie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vertrouwensbreuk tussen betrokkene en P onherstelbaar is gebleken en dat het dienstbelang vordert dat aan de ontstane impasse een einde komt. Nadat betrokkene haar zienswijze heeft gegeven, heeft de directie bij besluit van 10 april 2014 conform het voornemen beslist.

1.6.

Bij besluit van 22 juli 2014 (bestreden besluit 2) is het bezwaar tegen het besluit van

10 april 2014 ongegrond verklaard.

2.1.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

2.2.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3.1.

Betrokkene heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

3.2.

De directie heeft zich bij wijze van incidenteel hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 gekeerd, voor zover daarbij is geoordeeld dat de brief van 12 maart 2013 als een besluit moet worden aangemerkt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Aangevallen uitspraak 1

4.1.

De directie heeft betrokkene, na haar verzoek om een besluit over haar rechtspositie, de onder 1.3 vermelde brief van 12 maart 2013 gestuurd. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat deze brief een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarmee de directie heeft beoogd om betrokkene tijdelijk andere werkzaamheden op te dragen. Voor zover een grondslag ontbreekt en daarom niet voldoende kenbaar is of het besluit een tijdelijke of definitieve overplaatsing van betrokkene betrof, is dit motiveringsgebrek bij bestreden besluit 1 geheeld. De tijdelijke overplaatsing is bedoeld als

ordemaatregel. Betrokkene is niet ontheven uit haar functie als secretaresse bij JBZ en de directie heeft voorts te kennen gegeven dat een tweede mediationtraject wordt gestart. Dit traject vond plaats in de periode van september tot december 2013. Het betoog van betrokkene dat het besluit van 12 maart 2013 een definitieve ontheffing uit haar functie behelst mist feitelijke grondslag en slaagt daarom niet.

4.2.

Betrokkene heeft voorts betoogd dat zij een goede band had met haar collega’s, dat zij geen weet had van het door P bijgehouden logboek van incidenten en dat deze incidenten bovendien zijn opgeblazen. Van het begin af aan is volgens betrokkene aangekoerst op haar vertrek. Dit betoog slaagt evenmin. Op grond van artikel 103 van het Rechtspositiereglement RDW kan een medewerker worden verplicht tijdelijk andere werkzaamheden te verrichten, mits die werkzaamheden hem redelijkerwijs kunnen worden opgedragen. De directie heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de verhouding tussen betrokkene en P zodanig was verslechterd dat zij tijdelijk werkzaamheden op een andere afdeling diende te verrichten. Dat betrokkene een goede band had met haar directe collega’s maakt dit niet anders. Betrokkene heeft op 4 juni 2012 in een gesprek met P op enig moment gezegd “zoek het maar uit met je zooitje”. Deze opmerking, gevoegd bij enkele voorvallen die door haar leidinggevende in een logboek zijn bijgehouden en die door betrokkene niet zijn ontkend, maken duidelijk dat er al langere tijd grotere en kleinere onenigheden waren. Dat betrokkene een ander gewicht aan deze incidenten toekent, laat onverlet dat deze incidenten voor P in het licht van het incident op 4 juni 2013 hebben geleid tot een vertrouwensbreuk. Na het voorval op 4 juni 2012 zijn diverse gesprekken gevoerd tussen betrokkene en P. In eerste instantie in aanwezigheid van een medewerker van bedrijfsmaatschappelijk werk en daarna in aanwezigheid van een mediator. Uit de gedingstukken volgt dat de relatie steeds moeizamer verliep ondanks de inspanningen die zijn verricht om tot een werkbare verhouding te komen. De directie heeft met inachtneming daarvan kunnen beslissen om betrokkene tijdelijk andere werkzaamheden op te dragen en heeft haar daaraan voorafgaand geen verbeterkans hoeven geven. Dat de procedure niet altijd even zorgvuldig is verlopen en zowel P als de directie de nodige steken heeft laten vallen, zoals de bezwaaradviescommissie ook heeft geconstateerd, geeft geen aanleiding tot een ander oordeel.

4.3.

Het betoog van betrokkene dat de brief van 14 april 2013 een besluit in de zin van

artikel 1:3 van de Awb is en het daartegen gerichte bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, slaagt niet. Het toezenden van een herplaatsingsplan en een vacature heeft als zodanig geen gevolgen voor de rechtspositie van betrokkene. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1, voor zover daarbij het bezwaar tegen de brief van 4 april 2013

niet-ontvankelijk is verklaard, terecht ongegrond verklaard.

4.4.

Uit overweging 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep van betrokkene tegen aangevallen uitspraak 1 niet slaagt. Het incidenteel hoger beroep van de directie slaagt gelet op 4.1 evenmin.

Aangevallen uitspraak 2

4.5.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestaat een overplaatsing zoals hier in geding uit twee componenten, te weten de ontheffing uit de eigen functie en het opdragen van een andere functie (uitspraak van 28 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL2847). In verband daarmee kan de motivering van een overplaatsingsbesluit van uiteenlopende aard zijn, al naar gelang het accent valt op het dienstbelang gelegen in de wenselijkheid een ambtenaar uit een betrekking te ontheffen dan wel op het dienstbelang gelegen in de wenselijkheid een andere betrekking door die ambtenaar te laten vervullen. In beide gevallen dient de nieuwe functie passend te zijn.

4.6.

De directie heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat het dienstbelang om betrokkene uit haar functie te ontheffen is gelegen in de onherstelbaar beschadigde vertrouwensrelatie tussen betrokkene en P. Een tweede mediationtraject heeft niet geleid tot herstel van de vertrouwensrelatie. Mede gelet op het eerder gevoerde driegesprek en de doorlopen mediationtrajecten is er geen grond voor het oordeel dat de directie op dit punt onvoldoende inspanningen heeft verricht. Nu deze inspanningen niet hebben geleid tot het gewenste resultaat heeft de directie betrokkene met het oog op het dienstbelang kunnen ontheffen uit haar functie en kunnen overgaan tot het opdragen van een andere functie.

4.7.

De werkzaamheden als medewerker KCC worden verricht op hetzelfde schaalniveau als de door betrokkene verrichte werkzaamheden als secretaresse bij JBZ. Betrokkene heeft daarbij haar persoonlijke (hogere) schaal behouden. Dat zij deze werkzaamheden reeds eerder heeft verricht en daarom ervaart als een degradatie, is onvoldoende om tot het oordeel te komen dat de functie niet passend is.

4.8.

Het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 slaagt niet.

Slotoverwegingen

4.9.

De aangevallen uitspraken zullen worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en

J.J.T. van den Corput en M.T. Boerlage als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2016.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) A. Mansourova

HD