Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1161

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-03-2016
Datum publicatie
04-04-2016
Zaaknummer
14/3829 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Verzwegen onroerend goed in Turkije. Waarde verschillende taxaties. Waardevaststelling op objectieve gronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3829 WWB

Datum uitspraak: 29 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

27 mei 2014, 14/1438 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats 1]

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.R. Ali, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

In het kader van het vooronderzoek en in het kader van het vooronderzoek in de zaak met nummer 14/3832 WWB heeft op 27 oktober 2015 gelijktijdig een comparitie plaatsgevonden. Appellanten, daartoe ambtshalve opgeroepen, zijn verschenen, bijgestaan door mr. Ali. Als tolk is verschenen T. Cetin-Kaya. Het college, daartoe eveneens ambtshalve opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door D.L. Swart.

Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen van 15 april 1996 tot en met 30 juni 2006 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). In de periode van 1 juni 2005 tot en met 30 juni 2006 ontvingen appellanten uitsluitend bijzondere bijstand. Appellant ontvangt vanaf juni 2005 een (onvolledig) ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Appellante ontvangt vanaf december 2011 een (onvolledig) ouderdomspensioen ingevolge de AOW. Aan appellanten is met ingang van 10 juni 2005 met toepassing van artikel 47a van de WWB een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) toegekend. Dit besluit geldt op grond van artikel 78i van de WWB als te zijn genomen door de Sociale verzekeringsbank (Svb), die vanaf 1 januari 2010 is belast met het verlenen van AIO-aanvullingen.

1.2.

Naar aanleiding van mededelingen van appellanten over woningbezit in Turkije en de lange periodes die zij in Turkije verblijven heeft de Svb onderzoek laten verrichten naar de vermogenssituatie van appellanten in Turkije door het Bureau Attaché Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade in Ankara. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 18 september 2012.

1.3.

Bij besluit van 6 februari 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 januari 2014 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellanten over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 juni 2006 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 119.843,55 van appellanten teruggevorderd. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door aan het college niet te melden dat zij onroerende zaken in Turkije in eigendom hebben. Sinds 1 juli 1997 ligt hun vermogen niet langer onder de vermogensgrens. Zij hebben geen informatie gegeven over hun bezittingen en vermogen, waardoor het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld.

1.4.

Naar aanleiding van door appellanten overgelegde gegevens heeft de Svb nader onderzoek laten verrichten naar de vermogenssituatie van appellanten in Turkije door het Bureau Attaché Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade in Ankara. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 9 april 2014.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellanten hebben aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden omdat zij ervan zijn uitgegaan dat zij slechts gehouden waren melding te maken van het bezit van onroerende zaken met een waarde boven de toepasselijke vermogensgrens. Deze stelling treft geen doel, omdat het hier gaat om een gegeven waarvan het redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat dit van invloed kan zijn op het recht op bijstand. Voor zover bij appellanten twijfel bestond of het bezit van onroerende zaken voor de verlening van bijstand van belang kon zijn, hadden appellanten daarin aanleiding moeten zien om contact op te nemen met het college om op dit punt duidelijkheid te verkrijgen.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

De intrekking en terugvordering over de periode van 1 juli 1997 tot 1 januari 1999

4.3.

Tussen partijen is niet langer in geschil dat niet appellant, maar zijn vader sinds 1971 voor één achtste deel eigenaar is van een niet getaxeerd perceel landbouwgrond in het dorp [naam 1]. Wat in deze periode resteert, is dat appellante sinds 28 januari 1993 de helft van een akker in het dorp [naam 2] in eigendom heeft. Deze akker is in 2014 in opdracht van de Svb door makelaar M. Kiran (Kiran) getaxeerd op een waarde tussen TL 20.000,- en TL 30.000,-. Met de Svb wordt uitgegaan van een waarde van TL 20.000,- (€ 6.944,-). Dit betekent dat het aandeel van appellante een waarde heeft van € 3.472,-. Het college heeft betoogd dat niet kan worden uitgesloten dat de akker in [naam 2] in de periode van 1 juli 1997 tot 1 januari 1999 een hogere waarde had en dat appellanten in deze periode naast deze onroerende zaak over meer vermogen beschikten omdat zij vanaf 1 januari 1999 over meer onroerende zaken beschikten. Dit betoog levert geen toereikende grond op voor intrekking van de bijstand omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De waarde van het aandeel in de grond in [naam 2] lag in 2014 ver beneden de vermogensgrens en concrete aanwijzingen dat appellanten in de periode van 1 juli 1997 tot 1 januari 1999 nog over ander vermogen beschikten ontbreken. Gelet hierop beschikten appellanten in deze periode niet over een vermogen boven de voor hen geldende vermogensgrens.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat het college niet bevoegd was om over te gaan tot intrekking van de bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot 1 januari 1999. Daarmee is tevens gegeven dat het college de over deze periode gemaakte kosten van bijstand niet van appellanten kan terugvorderen.

De intrekking en terugvordering over de periode van 1 januari 1999 tot en met 30 juni 2006

4.5.

Per 1 januari 1999 staat een appartement op het adres [adres 1] in [woonplaats 2] op naam van appellant geregistreerd. Per 25 april 2002 staat een tweede appartement op dit adres op naam van appellant geregistreerd. Met ingang van 1 december 2010 zijn beide appartementen op naam van [naam 3] (Ş), een zoon van appellanten, geregistreerd.

4.6.

Appellanten hebben aangevoerd dat deze appartementen, ook toen ze op naam van appellant stonden, eigendom waren van hun zoon. Deze stelling slaagt niet. Indien onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van een betrokkene staan genoteerd is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Appellanten zijn daarin niet geslaagd. De stelling van appellanten dat de appartementen tijdelijk op naam van appellant zijn geregistreerd in verband met de militaire dienst van hun zoon, is ontoereikend. De door appellanten overgelegde verklaring van een wijkhoofd van

13 mei 2013 dat Ş de eigenaar is en dat hij de onroerende zaak heeft overgedragen toen hij in militaire dienst ging leidt niet tot een ander oordeel. Uit de gedingstukken volgt immers dat Ş van 20 juli 1999 tot 21 november 2000 in militaire dienst is geweest. Eén van de appartementen is eerst nadat Ş de militaire dienst heeft verlaten op naam van appellant geregistreerd. Beide appartementen hebben geruime tijd nadat Ş de militaire dienst heeft verlaten op naam van appellant gestaan.

4.7.

De appartementen te [woonplaats 2] zijn in opdracht van de Svb in 2012 door makelaar R. Canpolat (Canpolat) getaxeerd op een totaalbedrag van TL 170.000,-. Appellanten hebben een verklaring overgelegd van drie makelaars uit 2013 dat de waarde van de appartementen

TL 25.000,- bedraagt en een document waaruit volgt dat de door de gemeentelijke belastingdienst over 2013 in aanmerking genomen waarde TL 35.000,- bedraagt. Naar aanleiding van de door appellanten overgelegde informatie zijn de appartementen in opdracht van de Svb in 2014 gewaardeerd door makelaar Kiran op TL 130.000,- (€ 56.277,-) in 2012 en op TL 160.000,- in 2014. De rechtbank is uitgegaan van de laagste taxatiewaarde in het rapport van Kiran.

4.8.

Appellanten hebben aangevoerd dat de rechtbank van een te hoge waarde van de appartementen is uitgegaan. Deze stelling slaagt niet. Kiran heeft in zijn taxatierapport inzichtelijk gemaakt op welke objectieve gronden hij tot zijn waardevaststelling is gekomen. De door appellanten overgelegde verklaring van drie makelaars is ongemotiveerd en kan daarom niet worden gevolgd. De door de gemeente in het kader van de onroerendzaakbelasting in aanmerking genomen waarde kan evenmin worden gevolgd. Deze waarden vertegenwoordigen in Turkije bijna nergens de daadwerkelijke marktwaarde en worden bewust lager gehouden om zo ook de te betalen belasting hierover te beperken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3519).

4.9.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante vanaf 8 februari 2002 eigenares is van een woning met landbouwgrond op het adres [adres 2] in [woonplaats 2] (woning met landbouwgrond). Deze onroerende zaak is in opdracht van de Svb in 2012 door makelaar Canpolat getaxeerd op een bedrag van TL 200.000,-. Appellanten hebben een door Canpolat ondertekende verklaring overgelegd van 22 oktober 2013 waarin staat dat sprake is van een misverstand en dat de onroerende zaak slechts TL 20.000,- waard is. Appellanten hebben ook een document overgelegd waaruit volgt dat de door de gemeentelijke belastingdienst over 2013 in aanmerking genomen waarde TL 20.000,- bedraagt. Verder hebben appellanten rapporten overgelegd van een landbouwkundig ingenieur en een bouwkundig ingenieur, die de woning met landbouwgrond in 2013 waarderen op een bedrag van in totaal TL 25.976,-. Naar aanleiding van de door appellanten overgelegde informatie heeft de Svb in 2014 nader onderzoek ingesteld. Canpolat heeft desgevraagd telefonisch meegedeeld dat hij een door appellant zelf opgestelde verklaring heeft ondertekend omdat hij geen problemen wilde. De woning met landbouwgrond is in opdracht van de Svb in 2014 opnieuw getaxeerd en gewaardeerd door makelaar Kiran tussen TL 130.000,- (€ 52.083,-) en TL 170.000,- (€ 73.593,08). De rechtbank is uitgegaan van de laagste taxatiewaarde in het rapport van Kiran.

4.10.

Appellanten hebben aangevoerd dat de rechtbank van een te hoge waarde van de woning met landbouwgrond van appellante is uitgegaan. In dit verband hebben zij betoogd dat de waarderingen van de landbouwkundig ingenieur en de bouwkundig ingenieur moeten prevaleren boven de taxatie door makelaar Kiran omdat de woning zonder vergunning is gebouwd en de grond de status van landbouwgrond heeft. Ook deze stelling faalt. Kiran heeft in zijn taxatierapport met betrekking tot dit onroerend goed inzichtelijk gemaakt op welke objectieve gronden hij tot zijn waardevaststelling is gekomen. Hierbij heeft hij mede in aanmerking genomen dat het huis en de tuin zich bevinden op een akker in een buitenwijk en dat er geen kadasterregistratie van het huis is. Kiran heeft dit van invloed geacht op de verkoopwaarde. De landbouwkundig ingenieur en de bouwkundig ingenieur hebben zich beperkt tot een waardering van het bouwmateriaal van de woning en de landbouwgrond. Kiran heeft blijkens zijn taxatierapport ook waarde verbonden aan de locatie, die hij heeft gekwalificeerd als een locatie in ontwikkeling. De door de gemeente in het kader van de onroerendzaakbelasting in aanmerking genomen waarde kan niet worden gevolgd om de

in 4.8 weergegeven reden.

4.11.

Uit 4.5 tot en met 4.10 volgt dat appellanten in de periode van 1 januari 1999 tot en met 30 juni 2006 beschikten over in aanmerking te nemen vermogen dat de vrijlatingsgrens ruim te boven ging en dus aan verlening van bijstand in de weg stond.

4.12.

Appellanten hebben aangevoerd dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Zij stellen dat zij vanwege de inhoudingen op hun inkomen niet kunnen voorzien in hun primaire levensbehoeften en dat sprake is van ernstige medische problematiek als gevolg van de terugvordering. Deze beroepsgrond slaagt niet. Wat appellanten hebben aangevoerd is onvoldoende om aan te nemen dat de terugvordering op zichzelf leidt tot onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor appellanten. Indien tot invordering wordt overgegaan heeft de betrokkene als schuldenaar bescherming, of kan hij deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Appellanten hebben voorts met de medische verklaring van Medisch centrum Haaglanden van 5 maart 2013 niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van ernstige medische problematiek als gevolg van de terugvordering.

Conclusies

4.13.

Uit 4.3 tot en met 4.12 volgt dat, anders dan over de periode daarna, de intrekking en terugvordering van de bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot 1 januari 1999 geen stand houdt. Dit heeft de rechtbank niet onderkend. Hieruit volgt dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor zover daarbij de intrekking over de periode van 1 juli 1997 tot 1 januari 1999 in stand is gelaten. Nu aan het besluit van 6 februari 2013 in zoverre hetzelfde, niet te herstellen, gebrek kleeft, zal de Raad tevens met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien door dat besluit in zoverre te herroepen. Omdat een terugvorderingsbesluit ondeelbaar is, zal het bestreden besluit voor zover het de terugvordering betreft in zijn geheel worden vernietigd.

4.14.

Het college dient nog slechts, uitgaande van de periode van 1 januari 1999 tot en met

30 juni 2006, de hoogte van de terugvordering opnieuw vast te stellen. De Raad kan deze berekening niet zelf maken. Daarom zal op dit punt een opdracht worden gegeven tot het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar en ziet de Raad, nu het nog slechts gaat om een financiële uitwerking, af van toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus om te komen tot finale geschillenbeslechting. Wel bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellanten. Deze worden begroot op € 992,- in bezwaar, op € 992,- in beroep en op € 992,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand, in totaal dus € 2.976,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 13 januari 2014, voor zover het de intrekking over de periode van

1 juli 1997 tot 1 januari 1999 en de terugvordering betreft;

- herroept het besluit van 6 februari 2013, voor zover het de intrekking over de periode van

1 juli 1997 tot 1 januari 1999 betreft en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats

treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 13 januari 2014;

- draagt het college op een nieuw besluit op het bezwaar van appellanten tegen het besluit van

6 februari 2013 te nemen voor zover dat betrekking heeft op de terugvordering met

inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat tegen het te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld;

- veroordeelt het college in de kosten tot een bedrag van € 2.976,-;

- bepaalt dat het college het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 167,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en M. ter Brugge en

J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2016.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD