Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1158

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-03-2016
Datum publicatie
05-04-2016
Zaaknummer
14/803 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening: geen nieuwe feiten en omstandigheden. Geen aanvullende financiële voorzieningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/803 AW, 14/3578 AW

Datum uitspraak: 31 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 14 december 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5245 (uitspraak 1) en op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 december 2013, 13/955 (uitspraak 2)

Partijen:

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

de Minister van Infrastructuur en Milieu (minister)

PROCESVERLOOP

Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen uitspraak 2.

Gedurende de hoger beroepsprocedure heeft betrokkene tevens verzocht om herziening van uitspraak 1.

De minister heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 14/745 AW en 14/2793 AW tot en met 14/2796 AW, plaatsgevonden op 18 februari 2016. Betrokkene is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.E. van Dijk en N. Verwijmeren.

Bij uitspraak van heden wordt in de gevoegde zaken afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de rechtsvoorganger, de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM).

1.2.

Betrokkene was werkzaam als [naam functie] bij de dienst [naam dienst] (DRZ) van het Ministerie van VROM. In januari 1998 heeft hij samen met collega L de ambtelijke top van het ministerie op de hoogte gebracht van aanwijzingen van fraude en belangenverstrengeling door de directeur van de DRZ. Begin februari 1998 heeft de directeur zijn werkzaamheden neergelegd en eind 1998 is aan hem eervol ontslag verleend. Tegen hem is in 1999 door de minister aangifte gedaan, maar het Openbaar Ministerie heeft vastgesteld dat er geen reden voor strafvervolging bestond. Op 1 juni 1999 heeft de minister het optreden van betrokkene gekwalificeerd als “integer en naar behoren”. Voorts heeft hij vastgesteld dat de rechtspositie van betrokkene moest worden gewaarborgd.

1.3.

Nadien zijn met betrekking tot betrokkenes rechtspositie en loopbaan voorstellen en tegenvoorstellen gedaan die uiteindelijk niet tot een bevredigend resultaat hebben geleid. Een en ander is uitgemond in het besluit van 5 februari 2003, waarbij aan betrokkene met ingang van 1 april 2003 eervol ontslag is verleend op grond van artikel 99 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) wegens verstoorde verhoudingen. Naast de gebruikelijke aanspraken op een uitkering wegens werkloosheid heeft de minister betrokkene tevens in aanmerking gebracht voor de volgende, door de minister redelijk geachte, voorzieningen:

- een bedrag van € 14.781,- (netto) ten behoeve van studiefaciliteiten en

- een outplacementtraject voor ten hoogste zes maanden vanaf 1 maart 2003 tot een maximum van € 10.591,-.

Daarbij heeft de minister rekening gehouden met reeds eerder aan betrokkene toegekende voorzieningen en faciliteiten, waaronder de betaling van kosten van rechtsbijstand van

f 42.511,50 in mei 2000.

1.4.

De Raad heeft bij uitspraak 1, voor zover thans van belang, dit ontslagbesluit rechtmatig geacht. Hiertoe is, kort samengevat, allereerst overwogen dat niet in geding is dat ten tijde van de ontslagverlening sprake was van verstoorde verhoudingen tussen betrokkene en zijn werkgever, zodat de minister bevoegd was om betrokkene op de gebezigde grond te ontslaan. Vervolgens heeft de Raad, met het oog op artikel 99, tweede lid, van het ARAR, de vraag of met de door de minister getroffen voorzieningen - gelet op het aandeel van de minister in het conflict en onder afweging van alle belangen - in redelijkheid kon worden volstaan, bevestigend beantwoord.

1.5.

Bij brief van 9 juni 2011 heeft betrokkene, voor zover thans van belang, bij de minister een verzoek ingediend tot toekenning van een aanvullende schadevergoeding als gevolg van het ontslag.

1.6.

Bij besluit van 12 december 2011 heeft de minister dit verzoek afgewezen.

1.7.

Bij besluit van 4 december 2012 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard.

1.8.

Bij uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. Betrokkene heeft aan zijn hoger beroep en verzoek om herziening, samengevat en zoals nader toegelicht ter zitting, het volgende ten grondslag gelegd. De rechtbank heeft in

uitspraak 2 vastgesteld dat uit uitspraak 1 van de Raad volgt dat het ontslagbesluit, mede gelet op de toegekende financiële voorzieningen, rechtmatig was. Met de brief van de Algemene Rekenkamer aan betrokkene van 6 juni 2005, de brief van de minister aan de Tweede Kamer van 7 september 2005 en de brief van de Nationale ombudsman aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 10 mei 2012 en bij getuigenverhoor aannemelijk te maken feiten kan echter worden aangetoond dat de Raad in 2006 tot een onjuist oordeel is gekomen. De Raad heeft met uitspraak 1 aan betrokkene in het geheel geen recht gedaan. De minister had aanvullende financiële voorzieningen moeten toekennen, nu betrokkene als gevolg van het ontslag zowel materieel als immaterieel schade heeft geleden.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het verzoek om herziening

3.1.

Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 21 van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

3.2.

De onder 2 genoemde brieven van de Algemene Rekenkamer van 6 juni 2005 en de minister van 7 september 2005 zijn destijds ook overgelegd in de hoger beroepsprocedure die tot uitspraak 2 heeft geleid en behelzen reeds hierom geen nieuwe feiten en omstandigheden. De onder 2 genoemde brief van de Nationale ombudsman, waarin hij - mede op basis van het

oordeel van de Raad in uitspraak 1 - een aantal vragen aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft gesteld over de bejegening van betrokkene en L, bevat evenmin nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb.

3.3.

Betrokkene heeft de Raad verzocht om als getuigen te horen [getuige 1] , [functie 1] , en

[getuige 2], [functie 2] . Bij brief van 6 november 2015 heeft de Raad aan betrokkene meegedeeld dat hij geen aanleiding ziet hen als getuigen op te roepen, maar dat betrokkene hen zelf als getuigen naar de zitting kan meebrengen. De Raad heeft dit, onder verwijzing naar het toepasselijke procesrecht, herhaald in zijn brief van

8 december 2015. Ook in de uitnodiging van 29 december 2015 om ter zitting te verschijnen is betrokkene gewezen op de mogelijkheid getuigen mee te brengen. Betrokkene heeft hier echter om hem moverende redenen van afgezien. Ter zitting hebben betrokkene en L meegedeeld dat zij voornemens zijn de genoemde twee getuigen door de civiele rechter te laten horen teneinde een verklaring voor recht te verkrijgen. De Raad ziet geen aanleiding de behandeling van de zaken met het oog op dit voornemen aan te houden. Betrokkene en L hebben ter zitting gesteld dat [getuige 1] en [getuige 2] informatie kunnen verschaffen over de onderliggende factoren van de door hen gemelde fraude en ambtelijke corruptie, maar hebben op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat die informatie een ander licht zou kunnen werpen op de rechtmatigheid van het onder 1.3 vermelde ontslagbesluit.

3.4.

Uit 3.1 tot en met 3.3 volgt dat het verzoek om herziening van uitspraak 1 dient te worden afgewezen.

Het hoger beroep

3.5.

Het hoger beroep van betrokkene tegen uitspraak 2 slaagt evenmin. De rechtbank is, onder verwijzing naar uitspraak 1, terecht uitgegaan van de rechtmatigheid van het ontslagbesluit. De minister was dan ook niet gehouden tot toekenning van aanvullende financiële voorzieningen.

3.6.

Dit betekent dat uitspraak 2 zal worden bevestigd.


4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- wijst het verzoek om herziening van uitspraak 1 af;
- bevestigt uitspraak 2.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2016.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) M.S. Spek

HD