Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1152

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-03-2016
Datum publicatie
01-04-2016
Zaaknummer
14/6304 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herhaling gronden in hoger beroep. Feiten en overwegingen oordeel rechtbank worden onderschreven. Geen medische informatie ingediend die aanleiding geeft tot twijfel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0340
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6304 ZW

Datum uitspraak: 30 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

15 oktober 2014, 14/2112 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C. Cornelissen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Cornelissen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als productiemedewerker voor 40 uur per week. Vanuit de situatie dat hij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet heeft appellant zich met ingang van 13 februari 2008, 14 juni 2012, 12 juni 2013 en voor het laatst met ingang van 2 december 2013 ziek gemeld vanwege psychische klachten.

1.2.

Nadat appellant op 24 december 2013 het spreekuur van een voor het Uwv werkzame arts had bezocht, is die arts op grond van dossierstudie en zijn eigen bevindingen tot de conclusie gekomen dat appellant per 24 december 2013 geschikt was te achten voor zijn maatgevende arbeid. Bij besluit van dezelfde datum heeft het Uwv bepaald dat appellant met ingang van

24 december 2013 geen recht meer had op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).

1.3.

Bij besluit van 6 februari 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 december 2013 ongegrond verklaard. Daaraan is een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 februari 2014 ten grondslag gelegd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest, nu uit de rapporten van de artsen van het Uwv blijkt dat zij aandacht hebben besteed aan alle klachten van appellant en geen aspecten hebben gemist. Overwogen is dat het oordeel van de primaire arts, dat er geen sprake is van een depressieve stoornis of andere psychopathologie is onderschreven door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die er ook nog op heeft gewezen dat appellant met name veel stressklachten heeft omdat hij werkloos is, maar dat dat geen reden is om arbeidsongeschiktheid aan te nemen. Wat appellant heeft aangevoerd kon naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot de conclusie dat het bestreden besluit een deugdelijke motivering ontbeerde. Appellant heeft niet met objectieve medische gegevens inzichtelijk gemaakt dat de toestand waarin hij ten tijde in geding verkeerde door de artsen van het Uwv niet juist is weergeven. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat appellant voorafgaand aan de zitting nog in de gelegenheid is gesteld om zijn beroepsgronden met (nieuwe) medische informatie te onderbouwen maar daarvan geen gebruik heeft gemaakt.

3. Appellant heeft zich niet met de uitspraak van de rechtbank kunnen verenigen. In hoger beroep heeft appellant gehandhaafd wat hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd en benadrukt dat hij forse depressieve klachten ervaart, die hem ernstig in het dagelijks leven beperken. Daarnaast ervaart hij zeer veel stress. In het verleden heeft hij langdurig onder psychiatrische behandeling gestaan. Het is volgens appellant juist dat hij geen nieuwe medische informatie heeft kunnen verstrekken over zijn gezondheidstoestand rond

24 december 2013. De verklaring daarvoor is, dat hij toen niet (meer) onder behandeling stond.

4. De Raad komt tot het volgende oordeel.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. In het vijfde lid van artikel 19 van de ZW is onder andere bepaald dat ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft, onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wordt verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn.

4.2.

In geschil is de vraag of appellant per 24 december 2014 terecht voor zijn arbeid geschikt is geacht. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

4.3.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is een herhaling van wat hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft die beroepsgronden voldoende besproken. De feiten en de overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, worden onderschreven. Nu appellant ook in hoger beroep geen medische informatie heeft overgelegd op grond waarvan getwijfeld zou moeten worden aan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, wordt geen aanleiding gezien anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.

4.4.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2016.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) C. Moustaïne

NK