Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1143

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-03-2016
Datum publicatie
31-03-2016
Zaaknummer
15/1562 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft het beroep van appellant terecht niet-ontvankelijk verklaard. Nu het besluit (inhoudende herziening studiefinanciering, omdat appellant niet woonachtig is op het gba-adres) is verzonden naar het bij de minister laatstelijk bekende adres van appellant, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het bestreden besluit in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3:41 van de Awb bekend is gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2016/85
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1562 WSF

Datum uitspraak: 30 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 februari 2015, 14/7611 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Usanmaz, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend en een nader stuk in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2016. Namens appellant is

mr. Usanmaz verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. E.H.A. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 10 juni 2014 heeft de minister aan appellant een boete opgelegd van

€ 1.425,93, omdat appellant met ingang van 1 oktober 2012 niet woonachtig is op het adres waaronder hij staat ingeschreven in de gemeentelijke basisregistratie persoonsgegevens (gba). Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 11 september 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat bij het instellen van het beroep de in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde termijn van zes weken niet in acht is genomen en dat de overschrijding van de termijn niet verontschuldigbaar is.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de minister het bestreden besluit ten onrechte heeft verzonden naar het gba-adres, terwijl de minister appellant heeft aangemerkt als niet woonachtig op dat adres. Appellant is hierdoor niet tijdig op de hoogte geraakt van het bestreden besluit. De rechtbank is voorts ten onrechte voorbijgegaan aan appellants grond dat geen verzenddatum is gezet op het bestreden besluit. Zonder een datumstempel van de verzending kan niet gesteld worden dat de verzending van het bestreden besluit daadwerkelijk plaatsvond op 11 september 2014 en is van een termijnoverschrijding geen sprake. Voor zover het beroep wel te laat is ingediend, is de termijnoverschrijding verschoonbaar. Door persoonlijke omstandigheden hield appellant zijn eigen post niet meer goed in de gaten. Als gevolg hiervan constateerde appellant een dag na de uiterste beroepstermijn dat hij in beroep had moeten gaan. Appellant is geen professionele partij die direct na bekendmaking van een besluit weet dat hij binnen zes weken in beroep moet gaan bij de rechtbank. Een termijnoverschrijding van een dag kan hem niet worden tegengeworpen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen zijn juist.

4.2.

De Raad volgt niet het standpunt van appellant als verwoord in overweging 3 dat de minister het besluit niet mag sturen naar het adres waarop appellant stelt uitwonend te zijn en in verband waarmee hij studiefinanciering naar de norm van een uitwonende studerende ontvangt. Daarbij komt dat appellant zelf verantwoordelijk is voor het doorgeven van een correct (post)adres. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 31 mei 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8807) heeft het bestuursorgaan voldaan aan zijn bekendmakingsverplichting als bedoeld in artikel 3:41 van de Awb als het besluit wordt verzonden naar het laatst bekende adres van de betrokkene. Noch in zijn bezwaarschrift, noch op andere wijze heeft appellant een ander adres aan de minister doorgegeven. De door de hoofdbewoner aan de controleurs tijdens het huisbezoek aan het adres [adres] te [woonplaats] op 16 december 2013 gedane mededeling dat appellant tijdelijk bij zijn ouders woonde, is niet gelijk te stellen met een door appellant zelf aan de minister doorgegeven adreswijziging. Nu het besluit van 11 september 2014 is verzonden naar het bij de minister laatstelijk bekende adres van appellant aan de [adres] te [woonplaats], heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het bestreden besluit in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3:41 van de Awb bekend is gemaakt.

4.3.

Voorts is niet in geschil dat appellant het besluit heeft ontvangen. Voor het standpunt van appellant dat het bestreden besluit niet op 11 september 2014 is verzonden omdat het besluit geen datumstempel bevat, bestaat geen steun. De minister heeft ter zitting van de Raad toegelicht dat geen verzendstempel op beslissingen op bezwaar wordt gezet, maar dat het verzendsysteem bij de Dienst Uitvoering Onderwijs zo is ingericht dat de beslissing op bezwaar op de dag waarop het besluit is gedateerd wordt verzonden. Er bestaat geen reden om aan deze uitleg te twijfelen.

4.4.

Gelet op hetgeen is vermeld in overweging 3 is niet in geschil dat, uitgaande van de verzending van het besluit op 11 september 2014, de beroepstermijn van zes weken is overschreden.

4.5.

De door appellant aangevoerde redenen waardoor hij niet tijdig in beroep is gegaan heeft de rechtbank terecht als niet verschoonbaar aangemerkt. Gelet op de correcte rechtsmiddelenclausule in het bestreden besluit kon appellant bekend worden verondersteld met de beroepstermijn van zes weken, zoals de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld. Het overlijden van appellants grootmoeder en de verantwoordelijkheden die appellant in verband daarmee kreeg alsmede appellants ziekte zijn niet aan te merken als redenen waardoor appellant buiten staat was tijdig bezwaar te maken. Ook het inwinnen van juridisch advies had appellant er niet van behoeven te weerhouden om tijdig pro forma een beroepschrift in te dienen.

4.6.

Wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.5 betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2016.

(getekend) J. Brand

(getekend) J.W.L. van der Loo

UM