Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1134

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2016
Datum publicatie
31-03-2016
Zaaknummer
15/67 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening studiefinanciering van norm voor uitwonende studerende naar norm voor thuiswonende studerende. Terugvordering. Niet woonachtig op gba-adres. Geen aanleiding om met toepassing van de hardheidsclausule af te zien van herziening over de periode voorafgaande aan het huisbezoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/67 WSF

Datum uitspraak: 23 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

28 november 2014, 14/2255 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.A.T. Vijftigschild, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Vijftigschild. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. B.C. Rots.

OVERWEGINGEN

1.1.

De minister heeft, voor zover hier van belang, voor de jaren 2012 en 2013 aan appellante studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend, berekend naar de norm voor een uitwonende studerende. Appellante staat vanaf 23 september 2010 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (gba) ingeschreven onder het adres [Adres A] te [woonplaats]. Onder dit adres staan ook ingeschreven de oom (hoofdbewoner) en tante van appellante en een van hun twee zoons.

1.2.

Op 30 september 2013 en 1 oktober 2013 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellante. Daartoe zijn twee huisbezoeken afgelegd op het gba-adres van appellante om te controleren of zij op dat moment op dit adres woonde. In de desbetreffende woning is op 1 oktober 2013, in het bijzijn van de hoofdbewoner, onderzoek gedaan. Van het onderzoek is op 3 oktober 2013 een rapport opgemaakt. Daarbij is een door de hoofdbewoner ondertekende verklaring gevoegd. In het rapport is - onder meer - vermeld dat de hoofdbewoner bij het huisbezoek van 1 oktober 2013 heeft verklaard dat appellante de afgelopen twee tot drie jaar op het gba-adres heeft gewoond omdat het op haar ouderlijk adres te druk was. Volgens de hoofdbewoner heeft appellante ruzie gehad met zijn zoon en verblijft zij sinds dat moment, vanaf 27 september 2013, niet meer op het gba-adres. De hoofdbewoner heeft aangegeven te verwachten dat appellante niet meer terug zal keren op het gba-adres en dat zij zich zal laten uitschrijven. De kamer van appellante zal dan worden ingericht als logeerkamer. De hoofdbewoner heeft tot slot verklaard dat de kamer waar appellante volgens de hoofdbewoner haar verblijf had, tijdens het huisbezoek op slot zat en niet kon worden geopend, omdat appellante de sleutel nog niet had ingeleverd.

1.3.

Bij besluit van 18 oktober 2013 heeft de minister op basis van het onder 1.2 weergegeven rapport de vanaf januari 2012 aan appellante toegekende studiefinanciering herzien, in die zin dat appellante vanaf 1 januari 2012 als thuiswonende studerende is aangemerkt. Het aan appellante over de periode van januari 2012 tot en met september 2013 te veel betaalde bedrag van € 4.041,48 is daarbij van haar teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 17 februari 2014 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 oktober 2013 ongegrond verklaard. Daartoe is gesteld dat is gebleken dat appellante niet woonde op haar gba-adres. Daarbij is erop gewezen dat de wettelijke basis voor een herziening met ingang van 1 januari 2012 is gelegen in de artikelen 7.1 en 9.9 van de Wsf 2000.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de minister aannemelijk heeft gemaakt dat appellante ten tijde van het huisbezoek op 1 oktober 2013 niet op het gba-adres woonde en dat de minister geen reden hoefde te zien om aan de verklaring van de hoofdbewoner te twijfelen. Appellante heeft niet onomstotelijk bewezen dat zij in de periode voorafgaand aan het huisbezoek wel woonde op het gba-adres. De overgelegde verklaringen van de zus en een vriendin van appellante zijn daartoe onvoldoende, nu deze niet als voldoende objectief kunnen worden aangemerkt, weinig concrete feiten bevatten en ook niet worden ondersteund door objectieve en controleerbare stukken en/of verklaringen van derden. De rechtbank acht de in beroep ingenomen stelling dat appellante ten tijde van de controle nog wel op het gba-adres woonde en dat het haar bedoeling was om zich pas per

31 oktober 2013 definitief te laten uitschrijven niet geloofwaardig, omdat dit niet aansluit bij de door de hoofdbewoner afgelegde verklaring en bij hetgeen appellante in bezwaar heeft verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat zij in de periode voorafgaand aan het huisbezoek, vanaf oktober 2010, op het gba-adres heeft gewoond en dat de minister niet het bewijs heeft geleverd dat zij in deze periode niet op het gba-adres heeft gewoond. De hoofdbewoner heeft ook bevestigd dat appellante twee tot drie jaar op het gba-adres heeft gewoond. Het vermoeden van de hoofdbewoner dat appellante na de ruzie niet meer op het gba-adres terug zou keren is onjuist, omdat appellante zich op dat moment nog aan het beraden was op haar positie en nog niet had bepaald hoe ze met de ontstane situatie zou omgaan. Uiteindelijk heeft ze zich per 31 oktober 2013 van het gba-adres laten uitschrijven. Voorts heeft appellante aangevoerd dat ze niet is gehoord of, voordat het herzieningsbesluit is genomen, is geconfronteerd met de verklaring van de hoofdbewoner.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1.

In artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000 wordt onder thuiswonende studerende verstaan de studerende die niet een uitwonende studerende is, en wordt onder uitwonende studerende verstaan de studerende die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5.

4.1.2.

Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, komt voor het normbedrag voor een uitwonende studerende in aanmerking de studerende die voldoet aan de volgende verplichtingen:

a. de studerende woont op het adres waaronder hij in de gba staat ingeschreven, en

b. het woonadres van de studerende is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de gba staat of staan ingeschreven.

4.1.3.

Op grond van artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000 kan herziening plaatsvinden op grond van het feit dat te veel of te weinig studiefinanciering is toegekend op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens.

4.1.4.

Ingevolge artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000, voor zover hier van belang, vindt de herziening - volgens het opschrift bij ‘niet voldoen aan verplichtingen artikel 1.5 door studerende’ - plaats met ingang van de datum van de laatste adreswijziging van de studerende in de gba.

4.1.5.

In artikel 11.5 van de Wsf 2000 (hardheidsclausule) is door de wetgever aan de minister de bevoegdheid verleend om deze wet in bepaalde gevallen buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken voor zover toepassing, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.2.1.

In zaken als deze moet de minister, wil deze tot herziening van eerder toegekende aanspraken overgaan, aannemelijk maken dat de studerende niet heeft voldaan aan de in artikel 1.5 van de Wsf 2000 opgenomen voorwaarden. De minister heeft aan deze bewijslast voldaan. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de bevindingen uit het onderzoek voldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van de minister dat appellante ten tijde van belang niet woonde op haar gba-adres. Hierbij wordt in het bijzonder gewezen op de verklaring van de hoofdbewoner dat appellante ten tijde van het huisbezoek niet meer op het gba-adres woonde.

4.2.2.

De stelling van appellante dat ze voorafgaand aan de besluitvorming niet persoonlijk is gehoord of geconfronteerd met de verklaring van de hoofdbewoner leidt niet tot een ander oordeel, nu dat horen of die confrontatie voor het uitvoeren van een zorgvuldig onderzoek niet noodzakelijk is (vgl. de uitspraak van 20 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2802). Als zou blijken dat er tijdens het huisbezoek bepaalde zaken niet zijn opgemerkt of dat de verklaring van de hoofdbewoner verkeerd is geïnterpreteerd, dan is er tijdens de bezwaarfase ruim de mogelijkheid om daarvan melding te maken en bewijzen te leveren. Appellante heeft van de mogelijkheid bezwaar te maken gebruik gemaakt, waarbij zij de verklaring van de hoofdbewoner heeft bevestigd dat zij met ingang van 27 september 2013 (weer) bij haar ouders woonde.

4.3.

Nu de minister aannemelijk heeft gemaakt dat appellante ten tijde van de controle niet woonde op het gba-adres en dus niet voldeed aan de in artikel 1.5, eerste lid, onder a, van de Wsf 2000 gestelde voorwaarde, leidt dit als gevolg van (de werking van) artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000, in beginsel tot een herziening van de studiefinanciering van appellante naar de norm voor een thuiswonende studerende met ingang van 1 januari 2012.

4.4.1.

Wat is overwogen in 4.3 neemt niet weg dat de minister aanleiding moet zien voor toepassing van de hardheidsclausule indien de studerende onomstotelijk heeft bewezen wél op het gba-adres te hebben gewoond in (een deel van) de periode voorafgaande aan de controle. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraken van 2 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1146, en 13 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:86.

4.4.2.

Van de studerende die onomstotelijk bewijs moet leveren, worden bewijsmiddelen verlangd die zodanig overtuigend zijn, dat zij, ook als zij in onderlinge samenhang worden bezien, de conclusie rechtvaardigen dat de studerende in (een deel van) de periode voorafgaande aan de controle wel op het gba-adres moet hebben gewoond.

4.4.3.

Het leveren van bewijs mede door middel van getuigen is in dit verband mogelijk, zij het dat de verklaringen van de getuigen inhoudelijk concludent moeten zijn en over de woonsituatie (gedetailleerde) informatie uit eigen wetenschap van de getuige moeten bevatten. De verstrekte informatie mag voorts geen ruimte laten voor twijfel. Anders dan de minister ter zitting heeft betoogd, kunnen dergelijke verklaringen ook uit de naaste omgeving (“familie en vrienden”) van de studerende komen (vgl. de uitspraak van 9 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO4327). Verklaringen van direct betrokkenen moeten wel zo veel mogelijk worden ondersteund met verklaringen van objectieve derden en/of andere bewijsmiddelen.

4.4.4.

Appellante is er niet in geslaagd het verlangde bewijs te leveren. Er zijn geen verifieerbare objectieve gegevens overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat appellante in de periode voorafgaand aan de controle op het gba-adres heeft gewoond. De verklaring van de hoofdbewoner, waaruit zou volgen dat appellante tot een aantal dagen voorafgaand aan de controle wel op het gba-adres heeft gewoond, is daarvoor niet voldoende, ook niet in samenhang met de twee in beroep overgelegde verklaringen, waaruit zou (kunnen) volgen dat appellante voorafgaand aan de controle wel op het gba-adres woonde (vgl. de uitspraak van 17 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4287). Deze verklaringen bevatten weinig (gedetailleerde) informatie waaruit volgt dat appellante in de van belang zijnde periode daadwerkelijk op het gba-adres heeft gewoond. Daarnaast worden deze verklaringen niet ondersteund met andere bewijsstukken. De eigen verklaring van appellante in hoger beroep komt niet overeen met wat zij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. Ter zitting heeft zij geen verklaring kunnen geven voor de verschillen en heeft ze onduidelijkheden in haar geschriften niet kunnen ophelderen. De minister behoefde dan ook geen aanleiding te zien met toepassing van de hardheidsclausule af te zien van herziening over de periode voorafgaande aan het huisbezoek. Met juistheid heeft de rechtbank in gelijke zin geoordeeld.

4.5.

Wat is overwogen in 4.2.1 tot en met 4.4.4 betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2016.

(getekend) J. Brand

(getekend) C.M.A.V. van Kleef

HD