Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1132

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2016
Datum publicatie
31-03-2016
Zaaknummer
14/6506 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening studiefinanciering van norm voor uitwonende studerende naar norm voor thuiswonende studerende. Terugvordering. Niet woonachtig op gba-adres. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, heeft appellant met de waarnemingen en bevindingen van het onderzoek naar de feitelijke woonsituatie van betrokkene voldoende aannemelijk gemaakt dat betrokkene ten tijde van de controle niet woonde op haar gba-adres en zij dus niet voldeed aan de in artikel 1.5, eerste lid, onder a van de Wsf 2000 neergelegde voorwaarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6506 WSF

Datum uitspraak: 9 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

17 oktober 2014, 14/2171 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. drs. P.R.L.V.M. Kruik, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2016. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. drs. Kruik.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft, voor zover hier van belang, voor de jaren 2012 en 2013 aan betrokkene studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend, berekend naar de norm voor een uitwonende studerende. Betrokkene volgt vanaf

1 september 2011 de HBO-opleiding Accountancy aan de [naam hogeschool]. Zij staat vanaf 3 mei 2010 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (gba) ingeschreven onder het adres [adres a] te [woonplaats]. Onder dit adres staan ook ingeschreven een nicht van betrokkene (hoofdbewoonster), haar man (hoofdbewoner) en hun zoontje. De ouders van betrokkene staan in de gba ingeschreven onder het adres [adres b] te [plaatsnaam].

1.2.

Op 17 september 2013 hebben twee controleurs in opdracht van appellant onderzoek gedaan naar de woonsituatie van betrokkene. Daartoe is een huisbezoek afgelegd op het

gba-adres van betrokkene om te controleren of zij op dit adres woont. In de desbetreffende woning is onderzoek gedaan en is een verklaring van de hoofdbewoonster opgenomen. Van het onderzoek is op 13 oktober 2013 een rapport opgemaakt. Bij het rapport is een verklaring van de hoofdbewoonster gevoegd. In het rapport en die verklaring staat - onder meer - het volgende beschreven. De hoofdbewoonster heeft verklaard dat de kamer van betrokkene op dat moment leeg was, omdat deze werd verbouwd tot kinderkamer. Verder heeft de hoofdbewoonster verklaard dat het bed en het matras van betrokkene naar de kelder zijn gebracht, dat de boekenkast en het bureau van betrokkene op een andere plek in de woning zijn neergezet en dat betrokkene op de kamer van haar zoon slaapt. De hoofdbewoonster toonde in de kledingkast op haar kamer twee broeken en drie jurken en in de toiletkast sjaals en hoofddoeken van betrokkene. Een deel van de kleding van betrokkene ligt volgens de hoofdbewoonster in de woning van haar moeder. Verder toonde de hoofdbewoonster een tandenborstel en een jas van betrokkene en verklaarde ze dat er geen schoenen van betrokkene aanwezig waren. De hoofdbewoonster toonde één brief van betrokkene en verklaarde dat de overige brieven zijn opgeborgen in een map, maar dat ze niet weet waar die map is. Voorts waren er volgens de hoofdbewoonster geen studiespullen of andere persoonlijke spullen van betrokkene in de woning aanwezig. Bij dit rapport is een overzicht met de reisgegevens van de OV-chipkaart van betrokkene gevoegd.

1.3.

Bij besluit van 8 november 2013 heeft appellant op basis van het onder 1.2 weergegeven rapport de vanaf januari 2012 aan betrokkene toegekende studiefinanciering herzien, in die zin dat betrokkene vanaf 1 januari 2012 als thuiswonende studerende is aangemerkt. Het aan betrokkene over de periode van januari 2012 tot en met oktober 2013 te veel betaalde bedrag van € 4.236,48 is daarbij van haar teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 4 maart 2014 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 8 november 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 8 november 2013 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De rechtbank heeft overwogen dat de bevindingen in het rapport van 13 oktober 2013, zonder nader onderzoek, niet voldoende zijn om te kunnen concluderen dat appellant aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene feitelijk niet op het gba-adres woonde. Ook uit het overzicht van de reisgegevens volgt volgens de rechtbank niet dat appellant aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene niet woonde op het gba-adres. Uit dit overzicht blijkt weliswaar dat betrokkene voornamelijk in [plaatsnaam] heeft ingecheckt, maar ook dat ze regelmatig in [woonplaats] heeft ingecheckt. Dit is niet in tegenspraak met de verklaring van betrokkene, die wordt ondersteund door de in beroep overgelegde verklaringen, dat ze regelmatig met de auto van en naar [plaatsnaam] reisde.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hierbij heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat betrokkene niet woonde op het gba-adres. Uit het rapport van 13 oktober 2013 blijkt dat op het gba-adres van betrokkene, afgezien van één brief, niets is aangetroffen dat aantoonbaar aan betrokkene toebehoort. De door betrokkene aangevoerde redenen zijn volgens appellant niet toereikend om de afwezigheid van persoonlijke spullen te verklaren. Uit de opgevraagde reisgegevens van betrokkene blijkt voorts dat zij in de periode van 22 februari 2012 tot en met 4 oktober 2013 de eerste en laatste reis van de dag vrijwel altijd in [plaatsnaam] heeft gemaakt. Daarnaast blijkt uit die gegevens dat zij in die periode veelvuldig gebruik gemaakt heeft van station [plaatsnaam] Holland Spoor, welk station op drie minuten loopafstand van haar ouderlijk adres is gelegen. Ook is gebleken dat betrokkene vaak vroeg in de ochtend van station [plaatsnaam] Holland Spoor is vertrokken. De stelling van betrokkene in bezwaar dat zij zeer weinig gebruik maakte van haar OV-chipkaart is dan ook niet juist. De stelling van betrokkene dat zij veelal met de auto reisde is, in het licht van de reisgegevens, niet geloofwaardig.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1.

In artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000 wordt onder thuiswonende studerende verstaan de studerende die niet een uitwonende studerende is, en wordt onder uitwonende studerende verstaan de studerende die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5.

4.1.2.

Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, komt voor het normbedrag voor een uitwonende studerende in aanmerking de studerende die voldoet aan de volgende verplichtingen:

a. de studerende woont op het adres waaronder hij in de gba staat ingeschreven, en

b. het woonadres van de studerende is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de gba staat of staan ingeschreven.

4.1.3.

Ingevolge artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000, voor zover hier van belang, vindt de herziening - volgens het opschrift bij ‘niet voldoen aan verplichtingen artikel 1.5 door studerende’ - plaats met ingang van de datum van de laatste adreswijziging van de studerende in de gba.

4.1.4.

De vraag waar een studerende woont als bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf 2000 moet worden beoordeeld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.2.

Nu een herziening als hier aan de orde een belastend besluit is, moet appellant aannemelijk maken dat betrokkene niet heeft voldaan aan de voorwaarden die in artikel 1.5 van de Wsf 2000 zijn opgenomen.

4.3.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, heeft appellant met de waarnemingen en bevindingen van het onderzoek naar de feitelijke woonsituatie van betrokkene, zoals neergelegd in het rapport van 13 oktober 2013, voldoende aannemelijk gemaakt dat betrokkene ten tijde van de controle niet woonde op haar gba-adres en zij dus niet voldeed aan de in artikel 1.5, eerste lid, onder a van de Wsf 2000 neergelegde voorwaarde. Hierbij wordt erop gewezen dat betrokkene ten tijde van het huisbezoek op 17 september 2013 geen eigen kamer had. Daarnaast zijn er tijdens het huisbezoek, behalve - mogelijk - een aantal kledingstukken een tandenborstel en één brief, geen tot betrokkene herleidbare zaken aangetroffen. Waar betrokkene stelt dat zij ten tijde van de controle reeds ruim drie jaar op dat adres woonde, valt redelijkerwijs te verwachten dat zich daar specifiek tot betrokkene te herleiden zaken bevinden waaruit kan worden afgeleid dat zij daar woont. Het standpunt van appellant dat betrokkene niet woonde op haar gba-adres wordt voorts ondersteund door de reisgegevens van de OV-chipkaart van betrokkene. Uit dit overzicht volgt dat betrokkene tussen februari 2012 en oktober 2013 veelvuldig gebruik heeft gemaakt van haar

OV-chipkaart en dat de eerste en laatste reis van de dag vrijwel iedere keer in [plaatsnaam] en niet in [woonplaats] was.

4.4.

Hetgeen betrokkene heeft gesteld geeft geen reden tot twijfel aan de uit de bevindingen en waarnemingen van de controleurs getrokken conclusie.

4.4.1.

De stelling van betrokkene dat haar kamer in verband met een verbouwing leeg was gehaald en dat haar meubels zijn verplaatst, verklaart onvoldoende de afwezigheid van persoonlijke spullen op het gba-adres. Betrokkene heeft daarnaast tegenstrijdige verklaringen afgelegd over wat zij na het huisbezoek met haar bed en matras heeft gedaan. Ter zitting bij de rechtbank heeft betrokkene verklaard dat zij een dag na het huisbezoek haar bed en matras naar de kamer van het zoontje van de hoofdbewoonster heeft gebracht, terwijl zij ter zitting bij de Raad heeft verklaard dat haar bed en matras na het huisbezoek in de kelder zijn gebleven en zij sliep op één van de 2 matrassen die lagen op het bed van het zoontje van de hoofdbewoonster.

4.4.2.

Wat betrokkene heeft verklaard over het gebruik van haar OV-chipkaart en het reizen met de auto van en naar [plaatsnaam], en de in dat verband overgelegde verklaringen van derden, overtuigt niet. De verklaringen wisselen en zijn deels met elkaar in tegenspraak. In bezwaar heeft betrokkene gesteld dat zij zeer weinig gebruik maakte van haar OV-chipkaart en zij hiermee reisde om wat te gaan eten of om de tijd te doden, terwijl zij later, ter verklaring van de vele reisbewegingen, heeft gesteld dat zij haar OV-chipkaart vooral gebruikte om te controleren of haar zusje, die nog bij haar ouders woonde, naar school ging. De in beroep overgelegde verklaringen van de oom van betrokkene en de hoofdbewoner van het gba-adres zijn deels met elkaar in tegenspraak. Waar de oom van betrokkene verklaart dat zij sinds drie jaar zijn auto gebruikt om van [woonplaats] naar [plaatsnaam] en andersom te reizen, verklaart de hoofdbewoner dat hij en betrokkene de eerste drie jaar iedere dag samen in zijn auto naar [plaatsnaam] reisden. Deze periodes overlappen elkaar voor een groot deel. Voorts heeft betrokkene ter zitting bij de rechtbank verklaard dat zij in de beginperiode met de hoofdbewoner naar [plaatsnaam] reed en dat zij daarna zijn auto mocht gebruiken.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4.2 volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, moet het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond worden verklaard en het verzoek om schadevergoeding worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2016.

(getekend) J. Brand

(getekend) N. van Rooijen

GdJ