Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1128

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-03-2016
Datum publicatie
05-04-2016
Zaaknummer
14/6226 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Niet meer ongeschikt voor zijn arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0373
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6226 ZW

Datum uitspraak: 30 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 november 2014, 14/4954 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.P. de Witte, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft en verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2016. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als schilder van schepen voor 40 uur per week. Hij heeft zich vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet per 11 maart 2014 ziek gemeld met psychische klachten.

1.2.

Een bedrijfsarts van het Uwv heeft appellant op 30 april 2014 op het spreekuur onderzocht. Deze arts heeft na een medisch onderzoek geconcludeerd dat appellant per

11 maart 2014 (subsidiair per 1 mei 2014) geschikt was zijn arbeid te verrichten. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 30 april 2014 vastgesteld dat appellant met ingang van de voornoemde primaire of subsidiaire datum geen recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).

1.3.

Bij besluit van 11 juni 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 30 april 2014 gegrond verklaard en alsnog aan appellant, met ingang van 23 april 2014, een ZW-uitkering toegekend. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 juni 2014 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is om het medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onzorgvuldig te houden, omdat uit diens rapport blijkt dat aan alle klachten van appellant aandacht is besteed en dat rekening is gehouden met de door appellant overgelegde informatie van een medisch maatschappelijk werkster van de afdeling cardiologie van het Erasmus MC van 27 mei 2014. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellant eerst per 23 april 2014 ongeschikt was om zijn arbeid te verrichten. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat appellant geen medische stukken heeft ingediend op grond waarvan reeds per 11 maart 2014 de arbeidsongeschiktheid zou moeten worden aangenomen.

3. In hoger beroep heeft appellant het oordeel van de rechtbank bestreden. De rechtbank heeft volgens appellant ten onrechte de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd. Appellant kan zich niet met de ingangsdatum van de aan hem toegekende ZW-uitkering verenigen en heeft benadrukt dat hij reeds op datum ziekmelding, 11 maart 2014, arbeidsongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het toepasselijke wettelijk kader wordt verwezen naar de overwegingen 5.1 en 5.2 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze beroepsgronden besproken en voldoende gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven.

4.3.

Nu door appellant in hoger beroep geen nadere medische informatie is overgelegd op grond waarvan getwijfeld zou moeten worden aan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, wordt geen aanleiding gezien anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.

4.4.

Uit de overwegingen 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.M.van Dun, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2016.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) C. Moustaïne

NK