Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1127

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-03-2016
Datum publicatie
05-04-2016
Zaaknummer
14/4333 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Niet meer ongeschikt voor haar arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0379
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4333 ZW

Datum uitspraak: 30 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 8 juli 2014, 13/3515 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. Hermans, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R. Spanjer.

OVERWEGINGEN

1.1

Appellante is werkzaam geweest als pedagogisch medewerker. Aan het einde van de uitkering die zij ontving op grond van de Werkloosheidswet heeft zij zich per 3 juni 2013 ziek heeft gemeld wegens lichamelijk en psychische klachten. Naar aanleiding van haar ziekmelding heeft appellante het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft overwogen dat appellante met ingang van 15 augustus 2013 in staat moet worden geacht haar arbeid te verrichten.

1.2.

Bij besluit van 13 augustus 2013 heeft het Uwv bepaald dat appellante met ingang van

15 augustus 2013 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts van 13 augustus 2013 ten grondslag. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij besluit van 15 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 oktober 2013 ten grondslag.

2. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

2.1.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is om wat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapporten heeft gesteld voor onjuist te houden.

3.1.

In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het Uwv haar lichamelijke en psychische gezondheidstoestand juist heeft beoordeeld en dat zij op de datum in geding geschikt was om haar arbeid te verrichten. Zij heeft voorts aangevoerd dat haar beperkingen op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren en in dynamische handelingen niet zorgvuldig zijn vastgesteld. Daarnaast heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de bij haar geconstateerde persoonlijkheidsstoornis niet aan werken in de weg staat; juist het werken met deze stoornis heeft ertoe geleid dat zij is uitgevallen. Tot slot heeft appellante aangevoerd dat zij energetisch gezien niet in staat is tot het uitvoeren van de huishoudelijke taken die bij haar werk als pedagogisch medewerker horen. Volgens haar is het oordeel dat zij in staat wordt geacht haar werk te kunnen doen niet zorgvuldig.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Op grond van het vijfde lid van artikel 19 van de ZW, is - voor zover hier van belang - bepaald dat ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wordt verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn.

4.2.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen die zij daaraan ten grondslag heeft gelegd. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de medische situatie van appellante op de datum in geding. Deze arts heeft appellante gezien tijdens de hoorzitting, dossierstudie verricht en informatie van de behandelend sector bij zijn beoordeling betrokken.

4.3.

Over de lichamelijke klachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 14 oktober 2013 het standpunt ingenomen dat bij het uitgebreide lichamelijke onderzoek door de primaire verzekeringsarts, behoudens enige bekkenscheefstand, geen afwijkende bevindingen naar voren zijn gekomen. Omdat de maatgevende arbeid geen uitgesproken belastende accenten kent, moet appellante in staat worden geacht haar arbeid te verrichten. Over de in beroep ingezonden informatie van een reumatoloog, waarin gesteld wordt dat het beeld bij appellante voldoet aan de criteria van fibromyalgie, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn nader rapport van 7 januari 2014 het standpunt ingenomen dat bij appellante in het spontane bewegingspatroon het looppatroon vlot en symmetrisch is, en de zithouding rustig en zonder bewegingsdrang, zodat er geen tekenen van beperkingen in de gebruikelijke bewegingsmogelijkheden zijn. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen aanleiding is aan de juistheid van dit standpunt te twijfelen.

4.4.

Over de psychische klachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn nader rapport van 7 januari 2014 overwogen dat bij het psychisch onderzoek geen afwijkende bevindingen zijn geconstateerd door de verzekeringsarts en door hemzelf. Hij heeft daarbij overwogen dat appellante tijdens de hoorzitting gedurende ten minste drie kwartier haar aandacht goed wist te richten, en dat zij daarom ook haar maatgevende functie, die weinig hoge eisen stelt aan het cognitief vermogen, moet kunnen vervullen. Over de in beroep door appellante ingebrachte informatie van behandelend psychiater M.M.H. Braam-van Neer

– waaruit naar voren komt dat bij appellante sprake is van een borderline persoonlijkheidsstoornis – heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van

7 januari 2014 het standpunt ingenomen dat daar bij appellante al langer sprake van moet zijn geweest en zij daarmee in het verleden haar arbeid heeft kunnen verrichten. Nu uit de informatie van de behandelend psychiater niet blijkt welke beperkingen voor appellante zouden hebben te gelden, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat er geen aanleiding is deze overwegingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden.

4.5.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Bij deze uitkomst is voor toewijzing van de gevraagde schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente geen ruimte.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van de wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2016.

(getekend) M. Greebe

(getekend) N. Veenstra

NK