Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1122

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-03-2016
Datum publicatie
31-03-2016
Zaaknummer
14/5370 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is gerectificeerd met ECLI:NL:CRVB:2016:1787. De gerectificeerde uitspraak is opgenomen in ECLI:NL:CRVB:2016:1788. De onderstaande tekst is niet meer geldig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5370 WMO

Datum uitspraak: 30 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 2 september 2014, 13/2609 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Súdwest-Fryslân (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft haar zoon, [naam zoon], hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2016. Voor appellante zijn verschenen haar zoon [naam zoon] en haar echtgenoot [naam echtgenoot]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door F.G. Hoekstra.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 23 mei 2012 heeft appellante (geboren in 1945) op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een vervoersvoorziening aangevraagd in de vorm van een scootmobiel. Deze aanvraag betrof een scootmobiel ter vervanging van een in januari 2004 op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten door de gemeente Sneek aan haar verstrekte scootmobiel.

1.2.

Bij besluit van 22 juni 2012 heeft het college aan appellante een scootmobiel, type Booster Trophy 6, in bruikleen verstrekt. In het besluit is vermeld dat appellante voor deze voorziening geen eigen bijdrage verschuldigd is. Het college heeft een heronderzoek gedaan naar gebruik van de scootmobiel en bij besluit van 16 november 2012 de toegekende voorziening ongewijzigd voortgezet.

1.3.

Bij besluit van 21 maart 2013 heeft het college bepaald dat appellante met ingang van

1 juli 2013 een eigen bijdrage verschuldigd is voor het gebruik van de scootmobiel. Appellante zal worden aangemeld bij het CAK, dat de hoogte van de eigen bijdrage vaststelt. Er zal maximaal drie jaar, gedurende 39 perioden van vier (soms vijf) weken een eigen bijdrage worden geheven.

1.4.

Bij besluit van 29 augustus 2013 heeft het college het door appellante ingediende bezwaar tegen het besluit van 21 maart 2013 gedeeltelijk gegrond verklaard. Het college heeft daarbij aan appellante de eigen bijdrage eerst met ingang van 1 januari 2014 opgelegd, op basis van een kostprijs van € 3.529,09 voor de duur van 39 perioden van vier weken, te berekenen door het CAK. Nadien heeft het college de kostprijs van de scootmobiel nader bepaald op € 2.742,09.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - onder verwijzing naar de van toepassing zijnde bepalingen in de Wmo, de Verordening voorzieningen Wmo gemeente Súdwest-Fryslân 2013 (Verordening) en het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2013 (Besluit vmo) - overwogen dat, anders dan appellante meent, sprake is van een verstrekking van een voorziening in 2012. Dat de scootmobiel dient ter vervanging van een vóór 1 januari 2010 verstrekte scootmobiel maakt niet dat niet gesproken kan worden van het toekennen dan wel verstrekken van een scootmobiel. De rechtbank heeft verder overwogen dat vanaf het moment dat de bijdrageplicht in de Verordening is geregeld, het college een bijdrageplicht mag opleggen ook al is de maatschappelijke ondersteuning al verleend. De rechtbank heeft het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel verworpen. Voor zover appellante het niet eens is met de hoogte en/of de duur van de eigen bijdrage, kan zij bezwaar maken tegen de nadere besluiten of facturen van het CAK. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de ingangsdatum voor het verschuldigd zijn van een eigen bijdrage, gelet op de overgangsbepaling van artikel 12 van de Verordening, aanvangt na de overgangstermijn en niet, zoals appellante betoogt, op de datum van de verstrekking van de vervoersvoorziening. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat de bekendmaking van de Verordening heeft plaatsgevonden in ‘Ta jo tsjinst’ van week 51 van 2012, zodat appellante daarvan kennis had kunnen nemen. Voor het college bestond geen verplichting om appellante een kopie van de Verordening toe te sturen.

3. Appellante heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank bestreden. Appellante heeft herhaald dat sprake is van een vóór 1 januari 2010 toegekende vervoersvoorziening en dat zij daarom, wat er zij van de vervanging van de scootmobiel, geen eigen bijdrage is verschuldigd. Voor zover zij al een eigen bijdrage verschuldigd zou zijn, kan deze niet met terugwerkende kracht worden opgelegd, althans niet voor de periode tussen de verstrekking van de vervoersvoorziening - indien verstrekt tussen 1 januari 2010 en 1 januari 2013 - en de wijziging van de Verordening per 1 januari 2013. Verder heeft appellante het oordeel van de rechtbank over de ingangsdatum - en daarmee de einddatum - van het verschuldigd zijn van de eigen bijdrage bestreden. Ook heeft appellante bestreden dat zij tegen de hoogte van de eigen bijdrage bezwaar kan maken bij het CAK. Appellante wijst er op dat het college de (grondslag voor de) eigen bijdrage aan het CAK doorgeeft en dat de informatie die het college hierover in het bestreden besluit heeft gegeven afwijkt van de informatie die het college later in de procedure bij de rechtbank heeft gegeven. Volgens appellante is sprake van strijd met het vertrouwens- en het zorgvuldigheidsbeginsel. Ten slotte heeft appellante gesteld dat de rechtbank ten onrechte niet op alle door haar aangevoerde gronden is ingegaan.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

In artikel 15, eerste lid, van de Wmo is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening kan bepalen dat een persoon van 18 jaren of ouder aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend, voor zover die ondersteuning bestaat uit het verlenen van een individuele voorziening in natura, een eigen bijdrage is verschuldigd.

4.1.2.

Ingevolge artikel 22, eerste lid, aanhef en onder g, van de Verordening, in werking getreden met ingang van 1 januari 2013, is een eigen bijdrage verschuldigd bij het verstrekken van een voorziening voor het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel. In artikel 22a van de Verordening is bepaald dat het college in het Besluit vmo alle financiële regels en bedragen vastlegt die in het kader van de Verordening verder nog relevant zijn.

4.1.3.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van het Besluit vmo, is de persoon aan wie een individuele voorziening in natura is verleend een eigen bijdrage verschuldigd. Uit het vijfde lid van dat artikel volgt dat bij de verstrekking van een roerende voorziening in bruikleen, de termijn van inning van de eigen bijdrage 39 perioden van vier weken elk is.

4.1.4.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van het Besluit vmo is de persoon aan wie voor 1 januari 2010 een vervoersvoorziening is verstrekt geen eigen bijdrage verschuldigd. Ingevolge het tweede lid van dat artikel is de persoon aan wie tussen 1 januari 2010 en 1 januari 2013 een vervoersvoorziening is verstrekt, tot 1 juli 2013 geen eigen bijdrage verschuldigd.

4.1.5.

De toelichting bij de Besluitenlijst van het college van 4 december 2012 over het invoeren van eigen bijdragen Wmo vermeldt onder het kopje Ingangsdatum en overgangsrecht:

“De datum van verstrekking van de voorziening is bepalend. Dit betekent dat er slechts een eigen bijdrage gevraagd kan worden zolang de vervoersvoorziening nog niet langer dan drie jaar geleden is verstrekt.”

4.2.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college bij het besluit van 22 juni 2012 aan appellante op haar aanvraag een vervoersvoorziening heeft verstrekt in de vorm van een scootmobiel. Daaraan doet niet af dat de verstrekte vervoersvoorziening de vervanging vormde van een eerder verstrekte scootmobiel.

4.3.

De rechtbank heeft verder met juistheid overwogen dat in het systeem van de Wmo en het Besluit maatschappelijke ondersteuning past dat het college flexibel gebruik moet kunnen maken van zijn bevoegdheid een eigen bijdrage op te leggen, ook als dit niet gelijktijdig met de verstrekking van een voorziening plaatsvindt. De overgangsbepaling van het Besluit vmo wijst er onmiskenbaar op dat artikel 22 van de Verordening, op grond waarvan aan appellant een eigen bijdrage is opgelegd, ook geldt voor reeds verstrekte voorzieningen

(vergelijk de uitspraak van de Raad van 9 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1984).

4.4.

Bij de verstrekking van de voorziening in 2012 heeft het college niet concreet en ondubbelzinnig de toezegging gedaan dat nimmer een eigen bijdrage zal worden opgelegd. Van strijd met het vertrouwensbeginsel is dan ook geen sprake. Evenmin is sprake van strijd met de rechtszekerheid aangezien appellante tijdig is geïnformeerd over het opleggen van de eigen bijdrage en het college uiteindelijk een ruime overgangstermijn in acht heeft genomen. Het feit dat het college in november 2012 kenbaar heeft gemaakt dat de voorziening ongewijzigd zou worden voortgezet, maakt dat niet anders.

4.5.

Bij het bestreden besluit heeft het college aan appellante per 1 januari 2014 een eigen bijdrage opgelegd gedurende een termijn van 39 perioden van 4 weken. Hiervoor ziet de Raad geen grondslag in de toepasselijke regelgeving. Uit de tekst van het Besluit vmo en de onder 4.1.5 genoemde toelichting volgt dat de ingangsdatum van de eigen bijdrage is gelegen op de datum van de daadwerkelijke verstrekking van de voorziening, in dit geval 22 juni 2012. Nu het college ervoor heeft gekozen eerst met ingang van 1 januari 2014 een eigen bijdrage op te leggen, betekent dit dat appellante slechts een eigen bijdrage verschuldigd is over het tijdvak 1 januari 2014 tot 19 juni 2015, te weten het resterende tijdvak na 39 periodes van vier weken vanaf 22 juni 2012.

4.6.

Gelet op wat hiervoor is overwogen kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen verklaart de Raad het beroep van appellante tegen het besluit van 29 augustus 2013 gegrond en vernietigt dat besluit. Met het oog op definitieve beslechting van het geschil zal de Raad zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat appellante een eigen bijdrage verschuldigd is als hiervoor beschreven onder 4.5.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding nu appellante niet heeft gesteld dat zij kosten heeft gemaakt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 2 november 2012 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    bepaalt dat appellante over de periode van 1 januari 2014 tot 22 juni 2015 terzake van de vervoersvoorziening een eigen bijdrage is verschuldigd met inachtneming van een kostprijs van € 2.742,09 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    bepaalt dat het college het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 166,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en J.P.A. Boersma en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2016.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) V. van Rij

JvC