Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1118

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-03-2016
Datum publicatie
31-03-2016
Zaaknummer
14/3422 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0337
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3422 ZW

Datum uitspraak: 30 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

30 april 2014, 13/5952 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.E. Dirks, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.J. Alberts. Het Uwv heeft zich, zoals voorafgaand was bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 23 december 2011 heeft het Uwv bepaald dat appellant met ingang van

21 februari 2012 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Dit besluit berust op verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapporten waarin is geoordeeld dat appellant, ondanks zijn depressieve klachten en longklachten, in staat wordt geacht te werken in hem voorgehouden voorbeeldfuncties, waaronder de functie van elektronicamonteur. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 december 2011 bij besluit van 7 mei 2012 ongegrond verklaard.

1.2.

Vanuit de situatie dat hij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet heeft appellant zich per 7 januari 2013 ziek gemeld met wegens toegenomen depressieve klachten, voortdurende longklachten en rugklachten. Naar aanleiding van zijn ziekmelding heeft appellant het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft, nadat hij informatie had verkregen van de behandelend psychiater en de behandelend longarts, het standpunt ingenomen dat appellant met ingang van 12 juli 2013 in staat moet worden geacht zijn arbeid te verrichten.

1.3.

Bij besluit van 5 juli 2013 heeft het Uwv de aan appellant toegekende uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) met ingang van 12 juli 2013 beëindigd. Aan dit besluit ligt een rapport van de verzekeringsarts van 5 juli 2013 ten grondslag.

1.4.

Appellant heeft tegen het besluit van 5 juli 2013 bezwaar gemaakt. Bij besluit van

29 augustus 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 augustus 2013 ten grondslag.

2. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

2.1.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft geoordeeld dat het onderzoek van de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) niet onvolledig of onzorgvuldig is geweest. Volgens de rechtbank heeft het Uwv op goede gronden besloten dat appellant met ingang van 12 juli 2013 in staat moet worden geacht om ten minste één van de door de arbeidskundige in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies te verrichten.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd zich niet te kunnen vinden in de redenering van de rechtbank dat de functie elektronicamonteur ondanks zijn extra beperkingen nog immer voldoende passend is. Hij is het niet eens met de overweging van de rechtbank dat de bevindingen van de verzekeringsarts worden bevestigd door de MRI-scan. Er is volgens hem onvoldoende rekening is gehouden met zijn psychische gesteldheid en de uitspraak is ondeugdelijk en onzorgvuldig.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak gevraagd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde, na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Zoals de Raad reeds vaker heeft geoordeeld gaat het daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.

4.2.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel over het bestreden besluit en de overwegingen die zij aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar de medische situatie van appellant op de datum in geding en de juistheid van de vaststelling van de belastbaarheid van appellant op 12 juli 2013.

4.3.1.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant gezien, dossierstudie verricht en informatie van de behandelend sector bij zijn overwegingen betrokken.

4.3.2.

Over de psychische klachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen ingenomen dat uit de informatie van de psycholoog (lees: psychiater) van 25 maart 2013 blijkt dat extra medicatie een gunstig effect heeft op de psychische klachten en dat, gelet op de bevindingen op het spreekuur en de klachten die appellant noemt, er geen aanwijzingen zijn voor het aannemen van een andere psychische toestand dan bij de WIA-beoordeling.

4.3.3.

Over de longklachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat uit de in de bezwaarprocedure verkregen informatie van de longarts van 9 april 2013 naar voren komt dat er geen ontsteking is en dat de longfunctie normaal is. Voor deze klachten moet een extra beperking worden aangenomen voor werken in een koude werkomgeving en voor werken in een omgeving waar veel mensen verblijven.

4.3.4.

Over de rugklachten is overwogen dat een recente op verzoek van de behandelend neuroloog gemaakte MRI-scan laat zien dat er sprake is van discopathie met uitstulping zonder wortelprikkeling. Voor deze klachten zijn al extra beperkingen aangenomen op het gebied van zwaar tillen en dragen, frequent buigen, langdurig aaneengesloten staan en zitten en trillingsbelasting.

4.3.5.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 14 augustus 2013, dat in hoger beroep nog is aangevuld met haar rapport van 17 juli 2014, gemotiveerd uiteengezet dat appellant met ook met de - in vergelijking met de WIA-beoordeling - aangenomen extra beperkingen in staat moet worden geacht om niet alleen de functie elektronicamonteur te vervullen, maar dat ook de functies magazijn-/expeditiemedewerker en samensteller metaalwaren, ondanks de voor appellant geldende beperkingen, passend zijn. Dat deze functies, uitgaande van de beschreven beperkingen, op 12 juli 2013 voor appellant passend zijn, is onderschreven door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in een door hem en de verzekeringsarts bezwaar en beroep gezamenlijk ondertekend verslag van arbeidskundig onderzoek van 17 juli 2014.

4.4.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt geen aanleiding de overwegingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de door haar getrokken conclusie voor onjuist te houden.

4.5.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2016.

(getekend) M. Greebe

(getekend) N. Veenstra

NK